* Alfabetische lijst van begrippen die zijn afgevraagd in de SGV-enquête. Het nummer achter het woord is het paginanummer in de brochure.

aalt (beer) 1
aal 1
aalbes 1
aalmoes 1
aam (maat) 1
aambeeld 1
aamborstig 1
aan 1
aangaan 1
aanstoken 1
aard (karakter) 1
aardappel 1
aardbei 1
aarde (grond) 1
    een aarden pot 1
aardmannetje 1
aarzelen 1
aas 1
abrikoos 1
acht (8) 1
achterbaks 1
achterdocht 1
achterste 1
adem 1
ademen 1
ader 1
aderen 1(mv.)
af 1
afdak 1
afgedieft (een ~ leuk geval) 1
afkomst 1
afranselen 1
alkoof 1
als 1
klaar als de dag 1
als hij komt 1
anders 1
angst 1
anker 1
apart 1
armoedig 1
Aschwoensdag 1
babbelaar 1
bak 1
bakken 1(mv.)
baken 1
bakken 1
    ik bak 1
    jij bakt 2
    hij bakt 2
    bakt hij? 2
    ik bakte 2
baktrog 2
balans 2
balkenbrij 2
baloorig 2
band 2
banden 2
bandiet 2
barrevoets 2
barst 2
bedijen 2
bedevaart 2
bedriegen 2
    ik bedrieg 2
    jij bedriegt 2
    hij bedriegt 2
    wij bedriegen 2
    hij bedroog 2
    hij heeft bedrogen 2
bedroefd 2
beemd 2
beemden 2
been 2
beenen 2
beer (varken) 2
beer (roofdier) 2
begeerig 2
begeerlijk 2
begrafenis 2
bejaard 2
beloken Paschen 2
bemoeien 2
benevens 2
bevel 2
beredderen 2
bes 2
bessen 2
besef (hij heeft er geen ~ van) 2
bestemmen 2
beteuterd 2
betijen 2
beuk 2
beul 2
beun (vischkast) 2
beursch (de peer is ~) 2
bezadigd 2
bezem 2
bezems 2
bezoek 2
bibberen 3
bidden 3
    ik bid 3
    ik bad 3
    ik heb gebeden 3
biechten 3
    hij biechtte dikwijls 3
bieden 3
    ik bied 3
    jij biedt 3
    hij biedt 3
    ik bood 3
bier 3
biest 3
big 3
bij (bij huis) 3
bij 3
    bijenkorf 3
    bijenstal 3
    bijker 3
    cel 3
    dar 3
    koningin 3
    werkbij 3
    zwerm 3
    zwermen 3
    kogel 3
    raat 3
bijl 3
bijna 3
bijten 3
bijwoord 3
bijzonder 3
binden 3
    ik bind 3
    jij bindt 3
    hij bindt 3
    ik bond 3
    wij bonden 3
    ik heb gebonden 3
binnen 3
blaag (kind) 3
blaasbalg 3
blad 3
bladeren 3
blaffen 3
    hij blafte 3
bleek 3
blij 3
blik 3
    ik had 't met n blik gezien 3
    de meid heeft 't met een blik opgeveegd 3
    een trommel van blik 3
    een blikken trommel 4
bliksem 4
    het bliksemt 4
blink 4
    op den blink zitten 4
bloed 4
bloedzuiger 4
bloode 4
bloem 4
blond 4
't haar is blond 4
het blonde haar 4
blut (ik ben ~) 4
blutsen 4
bobbelen ('t water bobbelt) 4
bochel 4
bode 4
boden 4(mv.)
bodem 4
boek 4
boeken 4(mv.)
boekweit 4
boekweiten koek 4
boel 4
boer 4
boerderij 4
boezeroen 4
bont 4
boom 4
boomen (mv.) 4
boomgaard 4
boon 4
boonen 4
boonen afhalen 4
borg 4
borst 4
borstel 4
bosch 4
in, naar het bosch 4
boschbes 4
boter 4
bouwen 4
bovenlicht 4
bovenst 4
bovenverdieping 4
braaf 4
braakland 4
braak liggen 4
braamstruik 4
braambes 4
braden 4
branden 4
    de kachel brandt 4
brander (v. e. lamp) 5
brandhout 5
brandnetel 5
breed 5
breedte 5
breien 5
breuk 5
brevier 5
brief 5
brieven 5
brieschen 5
brij 5
broeden 5
broeder 5
broederschap 5
broedsch 5
broeibak 5
broek (kleedingstuk) 5
broek (weiland) 5
brommen 5
bron 5
bros 5
brouwen 5
brouwer 5
brug 5
bruid 5
bruidegom 5
bruiloft 5
bui 5
buiten 5
bult 5
bundel 5
bunder 5
bunzing 5
buskruit 5
buts 5
buurman 5
buurt (in de ~) 5
buurten (wij gaan ~) 5
Cavelier 5
chagrijn 5
cichorei 5
cirkel 5
commandeeren 5
commode 5
compagnie 5
concert 5
confusie 5
confuus 5
congregatie 5
cranerie 5
croque-mort 5
curieus 6
daas (paardenvlieg) 6
dag 6
dagen (mv.) 6
dak 6
dakdrup 6
dank 6
danig 6
das (dier) 6
dassen 6
das (doek) 6
dassen 6
dat kind 6
    die kinderen 6
deeg 6
deel (gedeelte) 6
deel (dorschvloer) 6
deern 6
deesemen 6
degene 6
deksel 6
dempig 6
dennenappel 6
dennennaald 6
derde 6
dertig 6
deugen 6
    hij deugt niet 6
    hij deugde niet 6
    hij heeft nooit gedeugd 6
deugniet 6
deuk 6
deur 6
deze 6
    deze boer 6
    deze boerin 6
dezelfde 6
die man 6
die menschen 6
die boer 6
die boerin 6
diender 6
dief 6
dienst 6
dienstbode 6
diepte 6
dier 6
dij 6
dijen 6
dikwijls 6
ik kon Dinsdag 6
dobbelsteen 6
dobber 7
doek 7
doelen 7
doen 7
    ik doe 7
    jij doet 7
    hij doet 7
    ik deed 7
    jij deed 7
    wij deden 7
    deed hij het maar! 7
    deden zij het maar! 7
dolle kervel 7
dompelen 7
donder 7
donderbui 7
donderen 7
ik kom Donderdag 7
dood 7
dooien 7
doof 7
doop 7
doopen 7
    't kind is gedoopt 7
doopvont 7
dooreen 7
doorgang 7
doorn 7
doorns 7
doornstruik 7
dooven 7
doovenetel 7
dorp 7
dorschen 7
    hij dorscht 7
    hij dorschte 7
    hij heeft gedorscht 7
dorst 7
dot 7
draad 7
    een draad garen 7
    met twee draden genaaid 7
drasse grond 7
dreef 7
dreven 7
drenzen 7
driegen (naaien) 7
driftig 7
drijftol 7
droes 7
droesem 7
dronken 7
droom 8
druipen 8
    hij druipt van den regen 8
    hij droop van den regen 8
druiventros 8
duif 8
    mannetjesduif 8
    wijfjesduif 8
Duitsch 8
duizelig 8
duizend 8
dut 8
durven 8
    ik durf het 8
    áls je durft! 8
    hij durft het 8
    durft hij niet? 8
    wij durven het 8
    ik durfde niet 8
    durfde jij niet? 8
    hij durfde het niet 8
    ze durfden niet 8
    ze hebben niet gedurfd 8
    durf eens! 8
duwen 8
dwars 8
dwarsdrijven 8
dwarsdrijver 8
Eclips van de maan 8
eed 8
eekhorentje 8
eelt 8
eend 8
    mannetjeseend 8
    wijfjeseend 8
eenvoudig 8
eer 8
hij was er eer dan ik 8
hij was er, eer ik er was 8
eerst 8
de eerste 8
eest (oven) 8
eeuw 8
egel 8
eglentier 8
ekster 8
enkel 8
    zijn enkel stuk stooten 8
enten 8
etter 8
etteren 8
expres 8
falie 9
faliekant 9
femelen 9
fint (list, barstje) 9
fleer (klap) 9
flensje 9
flikflooien 9
flimp 9
fluim 9
fluweel 9
fornuis 9
franje 9
fruit 9
fuik 9
fuut (vogel) 9
gaaf 9
gaan 9
    ik ga 9
    jij gaat 9
    hij gaat 9
    wij gaan 9
    ik ging 9
    ik ben gegaan 9
    ga weg! 9
    gaat weg! 9
gaffel 9
galgenaas 9
gang 9
gans 9
ganzen 9
mannetjesgans 9
wijfjesgans 9
gard 9
garf 9
garven 9
garstig spek 9
gas 9
gast 9
gasten 9
gat 9
gaten 9
gauw 9
gauwdief 9
gebarsten 9
gebint 9
gebrekking 9
gebruik 9
gedachte 9
gedoente 9
gedwee 9
geelzucht 9
geepsch (kwipsch) 9
geer 10
geeren 10
geeuwhonger 10
gegadigde 10
geheibei 10
gehucht 10
gejoel 10
gelag 10
gelden 10
    dat geldt niet 10
    dat gold niet 10
    dat heeft niet gegolden 10
gelijk 10
    je hebt gelijk 10
geloof 10
gelooven 10
gemak 10
gemakkelijk 10
gemartel 10
gemeen 10
gemeente 10
gemelijk 10
gemok 10
genant 10
genre 10
    aan genen kant 10
geniepig 10
geraamte 10
gerfkamer 10
gerst 10
geschiedenis 10
getatewaal (gebrekkig spreken) 10
getuigen 10
gevangenis 10
geven 10
    ik geef 10
    jij geeft 10
    hij geeft 10
    wij geven 10
    ik gaf 10
gevoel 10
gevoelig 10
gewas 10
gewelf 10
gewricht 10
gierig 10
gieten 10
gieter 10
giroffel (nagelbloem) 10
gist 10
glad 10
glans 10
glijden 11
glimworm 11
glint 11
gluiper 11
gniep (op de ~ staan) 11
goed 11
    een goeie man 11
goedkoop 11
goedzak 11
goot 11
goud 11
    een gouden ketting 11
graaf 11
graag 11
graan 11
graat 11
graf 11
grappig 11
gras 11
greppel 11
griend 11
grijnzen 11
grissen 11
grind 11
groeve 11
groeien 11
groen 11
groentevrouw 11
grof 11
grond 11
grondig 11
grootmoeder 11
grootsch 11
grootte 11
grot 11
gruwelijk 11
guit 11
gul 11
gulden 11
gunnen 11
gutsen 11
haagappel 11
haagdoorn 11
hagel 11
hagelen 11
hagelsteen 11
hagewinde 11
haak 11
haken (mv.) 11
haken (ww.) 11
haken en oogen 11
haal (ketting) 11
haam 12
haander (fruitmandje) 12
haar (voermanswoord) 12
    hot en haar 12
haar 12
    haar man en haar kinderen 12
    haar zuster 12
    dat is de hare 12
haard 12
haarhamer 12
haas 12
hazen 12
haast 12
haastig 12
hagen (steenen, turf ~) 12
hak (v. d. voet) 12
haksel 12
halen 12
half 12
    een halve appel 12
    een half ei 12
half om half 12
halm 12
hals 12
halzen 12
ham 12
hand 12
handen 12
handschoen 12
handschoenen 12
handvatsel 12
haneschree 12
hang (spekhang) 12
hangen 12
    ik hang 12
    jij hangt 12
    hij hing 12
hard 12
haren (de zeis ~) 12
harentwege 12
haring 12
hark 12
harken 12
harmonica 12
hars (boomsap) 12
hart 12
haten 12
    dat haatte hij 12
    dat heeft hij gehaat 12
hazelnoot 12
hazelstruik 12
hebben 12
    ik heb 13
    jij hebt 13
    hij heeft 13
    wij hebben 13
    ik had 13
    wij hadden 13
heden 13
heede (hennepafval) 13
heem 13
    waar ga je heen? 13
heep (bijl) 13
heesch 13
heet 13
heeten 13
    ik heet 13
    jij heet 13
    hij heet 13
    hij heette 13
    hij heeft geheeten 13
heffen (hij hief op) 13
heft 13
heilig 13
heinde en ver 13
hek 13
hekel 13
held 13
    jullie zijn me helden! 13
helft 13
helpen 13
    ik help 13
    jij helpt 13
    hij helpt 13
    ik hielp 13
hemd 13
hemden 13
hemel 13
hengsel 13
hengel 13
hennep 13
herder 13
herkauwen 13
hersenen 13
hes (kiel) 13
hetzelfde (dat is mij ~) 13
    tegen heug en meug 13
heulen (met iemand) 13
heup 13
hiel 13
hier 13
    kom hier eens kijken 13
hij 13
    hij is 13
    is hij? 13
    hij heeft 14
    heeft hij? 14
    met hem 14
hijgen (naar adem) 14
hinderen 14
hinken 14
    hinkte 14
hitte 14
hoe 14
    ik weet, hoe jij heet 14
    ik weet, hoe hij heet 14
hoed 14
hoeden (mv.) 14
hoeden (ww.) 14
hoef 14
hoeven 14
hoefstal 14
hoek 14
hoeken (mv.) 14
hoen 14
hoentje 14
hoepel 14
hoepelen 14
hoest 14
    hij hoestte 14
hof 14
hoven 14
hofje 14
hokkeling 14
hommel 14
hompelen 14
hompelvoet 14
hond 14
honden 14
hondje 14
honderd 14
    met honderden 14
honderdste 14
hondsdagen 14
honig 14
hoofd 14
hoofden 14
hoofddoek 14
hoofdkussen 14
hoog 14
    de toren is ~ 14
    een ~ toren 14
hoogte 14
hoogtijd 14
hooi 14
hooien 14
hooiwagen (insekt) 15
hoop 15
hoopen 15
hoorn 15
horens 15
horentje 15
    een hoornen heft 15
hoos 15
hoozen (ww.) 15
horloge 15
hort 15
horzel 15
hotsen 15
houden 15
    ik houd 15
    jij houdt 15
    hij houdt 15
    wij houden 15
    ik hield 15
    wij hielden 15
    ik heb gehouden 15
hout 15
houten 15
een houten hamer 15
houtskool 15
houwen 15
    ik houw 15
    jij houwt 15
    ik hieuw 15
    wij hieuwen 15
hui (waterachtige stof van melk) 15
huif 15
huifkar 15
huis 15
huizen (mv.) 15
huizen (ww.) 15
huishouden 15
huishouding 15
huisvlieg 15
huiveren 15
hukken 15
hul (kap) 15
hun 15
    hun vader 15
    hun moeder 15
    hun kind 15
huren 15
hurken 15
huurhuis 15
huurpenning 15
huwelijk 15
iedereen 15
iemand 16
iets 16
ik 16
    mij 16
ijzelen 16
illuminatie 16
illustratie 16
impertinent 16
zich inbeelden 16
ingetogen 16
ingewanden 16
inkuilen 16
inwendig 16
ingezouten 16
jagen 16
    hij joeg 16
jak 16
jaloersch 16
jas 16
jassen (mv.) 16
jengelen 16
jicht 16
jij 16
jou 16
jong 16
    een jonge haas 16
    't kind is nog jong 16
jong (v. e. dier) 16
jongen (knaap) 16
jood 16
joden 16
Judas 16
juffer 16
jullie 16
    jullie doen 16
    doen jullie? 16
juk 16
kaam (op bier) 16
kaarddistel 16
kaas 16
kabouter 16
kachel 16
kaf 16
kalf 16
kalveren 16
kalk lesschen 16
kalkoen 16
kalm 16
kalven 16
kam 16
kammen (mv.) 16
kammen (ww.) 17
kannetje 17
kant 17
kanten (mv.) 17
kar 17
karren (mv.) 17
karakter 17
karn 17
karnen (ww.) 17
karper 17
kast 17
kasten 17
kastanje 17
kat 17
katholiek 17
katoen 17
kauwen 17
keeren 17
keffen 17
kei 17
kennen 17
    ik kende hem niet 17
    wij kenden hem niet 17
    ik heb hem niet gekend 17
kerel 17
kerk 17
kerkkauw 17
kern 17
kers 17
ketel 17
kever 17
kibbelen 17
kiel 17
kiem 17
kiemen 17
kieskeurig 17
kiezel 17
kiezen 17
kieuw 17
kieuwen (mv.) 17
kikvorsch 17
kil 17
killen (mijn voeten ~) 17
kind 17
kinderen 17
kinkhoest 17
kiskassen (over 't water) 17
kittelen 17
klaar 17
kladden 17
klam 17
klappei 17
klaproos 18
klauteren 18
klauw 18
klaver 18
    klaveren boer 18
kleermaker 18
kleingeld 18
kleinkind 18
klepel 18
kleumen 18
klier 18
klis (plant) 18
kluit 18
kluwen 18
knarsen 18
kneden 18
knellen 18
knie 18
kniezen 18
knikker 18
benamingen in het knikkerspel 18
knipoogen 18
knoop 18
knoopen (mv.) 18
knoopen (ww.) 18
knorrepot 18
knuppel 18
koe 18
koeien 18
koek 18
koeken 18
koets 18
koffer 18
koffie 18
koffiedik 18
kom 18
komen 18
    ik kom 18
    jij komt 18
    ik kwam 18
    ik ben gekomen 18
kwam hij maar! 18
konijn 18
koning 18
koor 18
koorts 18
een kop koffie 18
koppig 19
koren 19
kornoelje 19
korrel 19
korst 19
korsten 19
kortswijl 19
kortwieken 19
kostganger 19
kotsen 19
koud 19
    een koude wind 19
kous 19
kouter 19
kouwelijk 19
kraai 19
kraakbeen 19
kraanvogel 19
krabben 19
krachtig 19
kramer 19
krang ('t binnenst buiten) 19
krant 19
krassen 19
kreeft 19
kregel 19
krekel 19
krentenbrood 19
kreunen 19
krib 19
krijgen 19
    ik kreeg 19
    wij kregen 19
krijten 19
kring 19
krom 19
krommen 19
kruidnagel 19
kruien 19
kruik 19
kruim 19
kruin 19
kruis 19
kruisbessen 19
kruisen 19
kruiwagen 19
krullen 19
kuchen 19
    hij kuchte 19
kuil 19
kuilen 19
kuip 19
kuiper 20
kuis (knots) 20
kuit (v. e. visch) 20
kuit (v. h. been) 20
kuiten 20
kundig 20
kunnen 20
    ik kan 20
    jij kunt 20
    hij kan 20
    wij kunnen 20
    ik kon 20
    wij konden 20
    ik heb gekund 20
kuren 20
kussen 20
kussensloop 20
kussen (ww.) 20
kwaad 20
een kwade hond 20
kwaadspreker 20
kwalijk 20
kwartel 20
kwee 20
kweeken 20
kwellen 20
kwijt 20
    "alles kwijt" bij 't knikkeren 20
kwikstaart 20
kwispelstaarten 20
laag 20
laag (znw.) 20
laagte 20
ladder 20
lam (znw.) 20
lammeren 20
lam (kreupel) 20
    een lamme jongen 20
    een lam meisje 20
lamp 20
lampen 20
lampepit 20
land 20
landen (mv.) 20
lang 20
    de weg is lang 20
    een lange weg 20
    langzamerhand 20
lantaarn 20
lastig 20
laten 20
    ik laat 20
    jij laat 21
    hij laat 21
    ik liet 21
laster 21
lawaai 21
lawaai maken 21
leeglooper 21
leed 21
leelijk 21
leem 21
leemen (met leem bestrijken) 21
leep 21
leepoogig 21
leest (v. d. schoenmaker) 21
leeuw 21
leeuwerik 21
leewater 21
leggen 21
    ik leg 21
    jij legt 21
    hij legt 21
    ik lei 21
    wij legden 21
    ik heb gelegd 21
    legde hij 't maar weg 21
lendenen 21
lente 21
lesschen 21
leidsel 21
leuningstoel 21
leven 21
levenslicht 21
    een kind het levenslicht schenken 21
lezen 21
    ik lees 21
    jij leest 21
    hij leest 21
    ik las 21
    wij lazen 21
    las hij 't maar 21
    ik heb gelezen 21
lichaam 21
lichtgeraakt 21
lied 21
liederen 21
lief 21
liefde 21
liefhebben 21
liefkozen 21
liegen 21
    ik lieg 21
    jij liegt 21
    ik loog 21
lies (v. h. been) 21
liggen 22
    ik lig 22
    jij ligt 22
    hij ligt 22
    ik lag 22
    wij lagen 22
lijnzaad 22
lijster 22
likdoorn 22
lindeblad 22
liniaal 22
linnen 22
lip 22
lispelen 22
litteeken 22
long 22
longen 22
loof 22
looi 22
looien 22
leerlooier 22
loopen 22
    ik loop 22
    jij loopt 22
    hij loopt 22
    ik liep 22
loop 22
    op den loop gaan 22
loos 22
loot 22
lucht 22
lucifer 22
lui (lieden) 22
lui (traag) 22
    luilak, die je bent 22
luid 22
luiden 22
luier 22
luisteren 22
lusten 22
luttel 22
maan 22
    donkere maan 22
maand 22
maanden 22
maandstonden 22
maandelijks 22
maar 22
    maar! wat je zegt! 22
    kinderen, doet het maar eens! 22
Maart 22
maas 22
maken 23
    hij maakte 23
man 23
mannen 23
mand 23
manden 23
mankeeren 23
mantel 23
mantels 23
marchandeeren 23
marentak 23
marmer 23
marter 23
masker 23
mazelen 23
mede (drank) 23
mede 23
hij gaat mee 23
meid 23
meiden 23
meepsch 23
meer 23
    dat komt meer voor 23
    meer als goed 23
meerkol 23
mees 23
meester 23
melk 23
men 23
    men zegt dat 23
    zegt men dat? 23
menig 23
meikever 23
meisje 23
merel 23
merg 23
mes 23
mest 23
mesten 23
mesthoop 23
mestvaalt 23
metselen 23
metselaar 23
meuk 23
meuken (fruit bewaren) 23
middagdutje 23
    een ~ doen 23
mijn (met of zonder n?) 23
    die hond is de mijne 23
    die kat is de mijne 23
    dat hondje is het mijne 23
mik (brood) 23
min 24
minderjarig 24
minderen 24
mismaakt 24
mispel 24
    een mispelaren stok 24
moe 24
ik ben moe 24
moedeloos 24
moeder 24
moederkoren 24
moei (tante) 24
moer (v. e. schroef) 24
moes 24
moeten 24
    ik moet 24
    jij moet 24
    ik moest 24
    wij moesten 24
mogelijk 24
    mogelijk komt hij 24
mogen 24
    ik mag 24
    jij mag 24
    hij mag 24
    wij mogen 24
    ik mocht 24
    wij mochten 24
    wij hebben gemoogd 24
mokken 24
mol 24
mollen (mv.) 24
molshoop 24
molen 24
molenaar 24
molm (turfmolm) 24
mond 24
monden 24
mondig 24
monnik 24
mooi 24
morgen 24
morgengebed 24
morsen 24
mossel 24
mosterd 24
mot 24
mout 24
havermout 24
mouw 24
muilpeer 24
muis 24
muizen (mv.) 24
muizen (ww.) 25
mul 25
musch 25
musschen 25
murw 25
muur 25
(muur)hagedis 25
muziek 25
naad 25
naaien 25
naakt 25
naald 25
naalden 25
    naar de kerk 25
    naar het bosch 25
nacht 25
nachtegaal 25
nadder (adder) 25
nadeel 25
nadoen 25
    doe het hem eens na! 25
    doet (mv.) het hem eens na! 25
nagedachte 25
nagelbloem (anjelier) 25
nagras 25
nahooi 25
nat 25
    het linnen is nat 25
    een natte zomer 25
nauw 25
nauwelijks 25
neder 25
neen 25
neet 25
negen 25
negentig 25
negende 25
negendooder 25
negenoog 25
nemen 25
    ik neem 25
    jij neemt 25
    hij neemt 25
    wij nemen 25
    ik nam 25
nergens 25
netel 25
nest 25
nesten 25
nestei 25
net 25
neus 25
neusdoek 25
neusje 26
niemand 26
nieuw 26
    een nieuwe knecht 26
nieuws 26
nieuwsgierig 26
niezen 26
nijpen 26
neep 26
    ik neep 26
noest 26
noode 26
nooit 26
noot (vrucht) 26
noten 26
nopen 26
norsch (barsch) 26
nu 26
    gà nu! 26
    ga nù! 26
nuk 26
ochtend 26
oever 26
oeverhelling 26
of 26
    je houd je of je nergens van weet 26
    hij of ik 26
ofschoon 26
olie 26
olieverf 26
om 26
ombuigen 26
omdat 26
    omdat je 't weet 26
omhelzen 26
omstandig 26
omtrent 26
onder 26
    onder handen hebben 26
onderhandsch 26
onderstboven 26
oneens 26
ongel 26
onkruid 26
onmacht 26
onmiddellijk 26
onpaar 26
onrechtvaardig 26
onrijp 26
    onrijp fruit eten 27
onze 27
    onze ezel 27
    onze koe 27
    ons paard 27
    dat is de onze 27
    dat is het onze 27
ontleg 27
onweersbui 27
0nze-lieve-vrouwen-bedstroo 27
oog 27
oogst 27
    een goede oogst 27
ooievaar 27
ooit 27
ook 27
oom 27
oortje 27
oozie 27
ooziedrup 27
opening 27
ophouden (m. h. werk) 27
opnieuw 27
oprispen 27
oud 27
    de man is oud 27
    een oude man 27
ouders 27
ouderwets 27
oven 27
over 27
overtuigen 27
overtuigd 27
paal 27
palen (mv.) 27
paard 27
paarden 27
    bles 27
    ruin 27
    hengst 27
    merrie 27
paardenziekten 27
paardenbloem 27
paardenvleesch 27
paalemoer 27
paars 27
paaschavond 27
pachten 27
pachtboer 27
pachtboerin 27
pachthoeve 27
pad 27
paden 27
paadje 27
pad (dier) 28
paddestoel 28
pak 28
    een nieuw pak 28
pakken 28
    hij pakte 28
paling 28
pandverbeuren 28
papier 28
parbleu 28
parel 28
part (voor mijn ~) 28
pas 28
    zoo pas 28
pastorie 28
paus 28
peetoom 28
pek 28
peluw 28
persen 28
perzik 28
pet 28
pier 28
Pinksteren 28
plaats 28
plank 28
plassen 28
plegen 28
    hij pleegt te zeggen 28
    hij placht te zeggen 28
pleister 28
ploeg 28
ploegen 28
pluim 28
plukken 28
    hij plukte 28
    wij plukten 28
    hij heeft geplukt 28
poel 28
poelen (mv.) 28
poken 28
pond 28
pook 28
populier 28
prang 28
praten 28
    hij praatte 28
prei 28
prent 28
priel 28
priem (els) 28
priester 28
prijken 28
processie 29
proesten 29
proeven 29
pronken 29
proost 29
pruilen 29
Pruis 29
Pruisen (land) 29
    hij werkt in Pruisen 29
pruim 29
puimsteen 29
puitaal (kwabaal) 29
punt 29
put 29
raad 29
raden (ww.) 29
raagbol 29
raam 29
rad 29
raderen 29
rafelen 29
rand 29
randen (mv.) 29
rank 29
ranken (v. e. wingerd) 29
ranselen 29
rap 29
rasp 29
raspen 29
rat 29
rauwe (eieren) 29
rechtbank 29
redetwisten 29
reeds 29
regenbui 29
rei 29
reiger 29
reikhalzen 29
rente 29
rentmeester 29
rentenier 29
reppen 29
    hij repte nergens van 29
reuzel 29
revelen 29
rib 29
riek 29
riet 29
rijm (op boomen) 29
rij 29
rijs 29
rijzen (mv.) 29
rijtuig 30
ringsteken 30
riool 30
rit 30
ritselen 30
rochelen 30
roepen 30
    ik roep 30
    jij roept 30
    hij roept 30
    wij roepen 30
    ik riep 30
roeren 30
roerdomp 30
Roermond 30
roest 30
roesten 30
roezemoezen 30
rogge 30
rok 30
rond 30
    een ronde steen 30
    de steen is rond 30
rondte 30
roof (op e. wonde) 30
rooien 30
rook 30
room 30
roos 30
rooster 30
roskam 30
rozenbottel 30
rug 30
ruien 30
ruig 30
ruit 30
ruiten aas 30
ruitezalf 30
rumoer 30
rund 30
runderen 30
rups 30
rusten 30
    ik rustte 30
ruw 30
    een ruwe man 30
sarren 30
schaaf 30
schaal 30
schaap 30
schapen 30
schaar 30
schade 30
schaden (ww.) 31
schaduw 31
schafttijd 31
schaften 31
schalm 31
schamper 31
schande 31
schaprade 31
scharnier 31
schavuit 31
scheede 31
scheen 31
schenen 31
schelden 31
    ik scheld 31
    ik schold 31
    wij scholden 31
    wij hebben gescholden 31
schelen 31
schemering 31
schenden 31
schenkel 31
scherp 31
scheuken 31
scheukpaal (in een wei) 31
scheut 31
schiere eieren 31
schieten 31
    ik schiet 31
    jij schiet 31
    hij schiet 31
    ik schoot 31
    jij schoot 31
    ik heb geschoten 31
    schoot hij den vogel maar af! 31
schik 31
    wij hebben ~ gehad 31
schil 31
schillen (ww.) 31
schilderij 31
schilfer 31
schimmel (paard) 31
schimmel (plant) 31
schimpen 31
    hij schimpte 31
    hij heeft geschimpt 31
schip 31
schepen 31
schoen 31
schoenen 31
    schoenen m. e. gesp 31
schokschouderen 31
schommel 31
schoolopziener 32
schoon 32
    een schoone schilderij 32
    een schoon hemd 32
schoonbroeder 32
schoonzuster 32
schoorsteen 32
schoot 32
schoppen 32
schot 32
schoten 32
schouder 32
schouders 32
schraag 32
schram 32
schrammen (mv.) 32
schrammen (ww.) 32
schrander 32
schrede 32
schreeuwen 32
schreien 32
schrijlings 32
schrijnwerker 32
schrikkeljaar 32
schroef 32
schroeien 32
schrokken 32
schuilevinkje spelen 32
schuimspaan 32
schuldig 32
schurft 32
schutter 32
schutters 32
schuur 32
schuw 32
schuwen 32
sedert 32
sering 32
sidderen 32
sik 32
sinds 32
sip kijken 32
sissen 32
slaan 32
    ik sla 32
    jij slaat 32
    hij slaat 32
    wij slaan 32
    ik sloeg 32
    sla eens! 32
    slaat eens! 32
slaap (v. h. hoofd) 32
slabben 32
slachten 33
slag 33
slagen (mv.) 33
slak 33
slakkenhuisje 33
slapen 33
    ik slaap 33
    jij slaapt 33
    hij slaapt 33
    ik sliep 33
slede 33
sleeuwe tanden 33
sleep 33
sleepen 33
slenteren 33
slibberen 33
slikken 33
slinken 33
slib 33
slobkous 33
slok 33
slons 33
sloot 33
slop 33
slorpen 33
slot 33
sloten 33
sluipen 33
smaden 33
smaken 33
    het smaakte goed 33
smal 33
    een smalle trap 33
    een smalle weg 33
smalen 33
smachten 33
smart 33
smeeken 33
smeerpoes 33
smelten 33
    de sneeuw smelt 33
    de sneeuw smolt 33
smerig 33
(be)smetten 33
smid 33
smeden (mv.) 33
smeden (ww.) 33
smeren 33
smidse 33
smout 33
snakken (naar adem ~) 33
snateren 33
sneeuw 34
sneeuwen 34
sneu kijken 34
sneven (sneuvelen) 34
snijden 34
    ik snijd 34
    jij snijdt 34
    ik sneed 34
    jij sneed 34
snoek 34
snoeken 34
snoeperig 34
snoepen 34
snorbaard 34
snorken 34
snuit 34
soep 34
soms 34
soort 34
sop 34
spaak 34
spaarzaam 34
spannen 34
    ik spande 34
spartelen 34
spatader 34
spatten 34
speelsch (dartel) 34
spel 34
speld 34
spelden (mv.) 34
spelden (ww.) 34
spelen 34
    ik heb gespeeld 34
spiegel 34
spijbelen 34
spin 34
spinde 34
spinne 34
spinnewiel 34
spitten 34
splinter 34
spoelen 34
spook 34
spoken (ww.) 34
spoken (mv.) 34
sport (van een ladder) 34
spotten 34
    hij spotte 34
spreeuw 34
spreken 34
    ik spreek 34
    jij spreekt 35
    hij spreekt 35
    ik sprak 35
    sprak hij maar! 35
sprenkelen 35
sprinkhaan 35
sproeten 35
sprokkelen 35
spruiten 35
spruw (mondziekte) 35
spuiten 35
spuwen 35
staan 35
    ik sta 35
    jij staat 35
    hij staat 35
    ik stond 35
    wij stonden 35
    sta stil! 35
    staat stil! 35
staart 35
stad 35
steden 35
staf 35
staven 35
stand 35
steeg 35
steegje 35
streek 35
steel 35
steen 35
steenen 35
steenpuist 35
steiger 35
steil 35
steken 35
    ik steek 35
    jij steekt 35
    hij steekt 35
    ik stak 35
    wij staken 35
    ik heb gestoken 35
op stelten loopen 35
stem 35
sterven 35
    ik sterf 35
    jij sterft 35
    hij stierf 35
    zij stierven 35
    stierf hij maar! 35
stief (~kind, ~vader) 35
stier 35
stoel 35
stoelen (mv.) 35
stoeien 36
stoep 36
stok 36
stokken 36
stollen 36
stolp 36
stolpen (mv.) 36
stof 36
stoffen (ww.) 36
stof (étoffe) 36
stomp 36
stoof 36
stoom 36
stoomboot 36
stooten 36
    ik stoot 36
    jij stoot 36
    hij stoot 36
    hij stiet 36
stop 36
stoppen (mv.) 36
storen 36
stoven (ww.) 36
straf geven 36
straffen 36
    hij strafte 36
straks (ik kom ~) 36
streep 36
streek (in deze ~) 36
streng (garen) 36
streng (bijv. nw.) 36
stroef (een ~ man) 36
stroo 36
    een strooien dak 36
strooien (ww.) 36
stroop 36
stroopen 36
strooper 36
stroowisch 36
strot 36
struikelen 36
studeeren 36
stuiken 36
    knikkers ~ in een kuiltje 36
stuiven 36
    het stuift 36
stuiver 36
stuit 36
stuk 36
stukken (mv.) 36
stukken (ww.) 36
sturen 36
    een rekening ~ 37
suiker 37
sukkelaar 37
sukkelen 37
taai 37
taart 37
tabak 37
tachtig 37
tafel 37
tafels 37
tak 37
takken (mv.) 37
talk 37
tam 37
tand 37
tanden (mv.) 37
tante 37
tarten 37
tarwe 37
teen 37
teenen (mv.) 37
teer 37
    met ~ bestrijken 37
thuis 37
telegram 37
tergen 37
terughoudend (hij is ~) 37
teugel 37
tevergeefs 37
tichel (steen) 37
    een bleek gebakken tichelsteen 37
tien 37
tiend 37
tijd 37
tijdkorting 37
tijger 37
(duiven)til 37
tin 37
    een tinnen kan 37
tinnegieter 37
tobbe 37
toen 37
    toen jij kwam 37
    toen hij kwam 37
    toen was hij hier 37
tol betalen 37
tolgaarder 37
tol (speeltuig) 37
toom 37
toonen 37
toonbank 37
tappen 37
tor 38
toren 38
tornen (lossnijden) 38
tot morgen 38
    tot je weerkomt 38
touw 38
traag 38
trakteeren 38
trappen 38
    ik trapte 38
trechter 38
treilen (een schip ~) 38
trekken 38
    wij trokken 38
treuzelen 38
troebel 38
troef 38
troeven 38
troep 38
troepen 38
troggelen (af~) 38
troosten 38
trouw 38
    een trouwe vriend 38
tuimelen 38
tuischen 38
twaalf 38
twee 38
tweede 38
twijn of tweern 38
twintig 38
twisten 38
uit 38
uitvorschen 38
ui (groente) 38
ui (grap) 38
uier 38
uil 38
uilskuiken 38
ulk (bunzing) 38
unster (balans) 38
    met een ~ wegen 38
uur 38
uw 38
    uw vader 38
    uw moeder 38
    jouw vader 38
    jouw broer 38
    dat is 't uwe 38
    dat is 't jouwe 38
vaardig 38
vaars 38
vaatdoek 38
vademen (om~) 39
vader 39
vagevuur 39
valgordijn 39
vallen 39
    ik val 39
    jij valt 39
    hij valt 39
    ik viel 39
valsch 39
varen 39
    ik vaar 39
    jij vaart 39
    hij vaart 39
    ik voer 39
varken 39
varkens 39
    jong, gesneden varken (berg) 39
    jong wijfjesvarken 39
varkenshok 39
vast 39
    hij slaapt ~ 39
    een ~ slaap 39
vasten 39
Vastenavond 39
vastendag 39
vat 39
vaten 39
veen 39
veer (overvaart) 39
veertig 39
vegen 39
veinzen 39
venkel 39
vensterbank 39
ver 39
    hij heeft het ~ gebracht 39
veraarden 39
verbruien 39
verdacht 39
    dat komt mij ~ voor 39
verdoen 39
verdriet 39
verf 39
verven (ww.) 39
verflensen 39
vergeefs 39
vergoeden 39
vergulden 39
verjaardag 39
verkooper 39
verkoopers 39
verklaren 39
verkleumen 40
zich verkniezen 40
verliezen 40
    ik verlies 40
    jij verliest 40
    hij verliest 40
    wij verliezen 40
    ik verloor 40
    verloor hij 't maar! 40
vermaard 40
vermoeid 40
vernielen 40
vernieuwen 40
versch 40
    versche eieren 40
verstandig 40
versterf 40
verstomd 40
verstuiken 40
    ik heb mijn voet ~ 40
verwonderen 40
verzekeren 40
vest (kleedingstuk) 40
veulen 40
vier 40
vies 40
vijf 40
vijgpuisten (aambeien) 40
vijl 40
vijver 40
vilder 40
villen 40
vin 40
vinnen 40
vinden 40
    ik vind 40
    jij vindt 40
    hij vindt 40
    ik vond 40
    wij vonden 40
    vond jij dat ook? 40
    ik heb gevonden 40
vingers 40
vink 40
visch 40
visschen (mv.) 40
visschen (ww.) 40
vlag 40
vlak 40
vlecht 40
vleesch 40
(dorsch)vlegel 40
vlek 40
vlieg 40
vlieger (speeltuig) 41
vliegen 41
    ik vlieg 41
    jij vliegt 41
    hij vliegt 41
    ik vloog 41
vlies 41
vlinder 41
vloeken 41
vloer 41
vlonder (vonder) 41
vloo 41
vlooien 41
vluchten 41
vod 41
vodden 41
voddenkoopman 41
voeder 41
voeg 41
voelen 41
voering 41
voet 41
voeten (mv.) 41
vogel 41
vogels 41
voogd 41
voor 41
voren (mv.) 41
voor 41
    voor het huis 41
voordat 41
    voordat je komt 41
voorschoot 41
voort! 41
voorteeken 41
vorst (v. h. dak) 41
vorst (vriezend weer) 41
vouw 41
vouwen (mv.) 41
vouwen (dicht~) 41
vragen 41
    ik vraag 41
    jij vraagt 41
    hij vraagt 41
    ik vroeg 41
vreemd 41
    een vreemde man 41
vreugde 41
vriend 41
vriezen 41
    het vriest 41
    het vroor 41
    vroor het maar! 41
vrij 42
vrijen 42
vroedvrouw 42
vroeg 42
vroegte 42
vuil 42
vuur 42
waaien 42
het waaide 42
waar (het is ~) 42
waarheid 42
waar (goede ~) 42
waar? 42
waar is hij? 42
    ... waar je woont 42
waard (hospes) 42
waard (weiland) 42
waard (dat is niets ~) 42
waarde (dat heeft geen ~) 42
waarin? 42
waarom? 42
waarover? 42
waartusschen? 42
waarschuwen 42
~waarts 42
    huiswaarts 42
    kerkwaarts 42
wafel 42
wafels 42
wak weer 42
wak (in het ijs) 42
walgen 42
wanneer? 42
    ik weet wanneer je vertrekt 42
    wanneer je komt, schrijf dan! 42
want 42
warboel 42
    't is me toch 'n ~ 42
warm 42
wars 42
was 42
wasch 42
    de wasch blauwen 42
wat 42
    ik heb wat 42
    wat je zegt! 42
    wat zeg je me nu! 42
watertanden 42
weduwe 42
weduwnaar 42
weeg (met leem besmeerde wand) 42
week 42
weken (mv.) 42
weeke grond 42
weelde 43
weer 43
    donker weer 43
weerga 43
weerwolf 43
wees 43
wegen 43
    ik weeg 43
    jij weegt 43
    hij weegt 43
    ik woog 43
    woog hij maar beter! 43
weide 43
    haspel of hekje in een wei 43
wel 43
    het is wel waar 43
    wel, dat heb ik allang gedaan! 43
weldadig 43
welstaanshalve 43
wenken 43
    hij wenkte 43
wenkbrauw 43
wenschen 43
wereld 43
werkdag 43
    een jas voor de werkdagen 43
werpen 43
ik wierp 43
wervelwind 43
wesp 43
weten 43
    ik weet 43
    jij weet 43
    hij weet 43
    ik wist 43
    wij wisten 43
    wist hij het maar! 43
wezel 43
wie? 43
    de man, dien ik zag 43
    de man, dien jij zag 43
    de man, dien hij zag 43
    de vrouw, die ik zag 43
    de vrouw, die jij zag 43
    de vrouw, die hij zag 43
    de man, met wien ik sprak 43
    de man, met wien jij sprak 43
    de man, met wien hij sprak 43
    weet je, wie dat was? 43
    weet je, wie die man was? 43
    weet je, wie die vrouw was? 43
    weet je, wie dat kind was? 43
    weet je, wie je bent? 43
wieden 43
wieg 44
wiggelen 44
wij 44
ons 44
wijd 44
wijden 44
    O. L. Vrouw Kruidwijding 44
    Hoe heeten de kruiden, die gezegend worden? 44
wijdte 44
wijf 44
wijn 44
wijnazijn 44
wild 44
een wilde gans 44
willen 44
    ik wil 44
    jij wilt 44
    hij wil 44
    wil hij? 44
    ik wou 44
    jij woudt 44
    wij wilden 44
    wat wou jij? 44
    wat wou hij? 44
wind 44
winden 44
winderig 44
wingerd 44
winkelhaak 44
wip (v. e. put) 44
wispelturig 44
wisschen 44
    hij wischte 't uit 44
wittebrood 44
Woensdag 44
wolf 44
wolven 44
wonder 44
wonen 44
woord 44
woorden 44
worden 44
    ik word 44
    jij wordt 44
    word jij? 44
    hij wordt 44
    wij worden 44
    ik werd 44
    jij werd 44
    hij werd 44
    wij werden 44
    gij werdt 44
    zij(is wschlk. bedoeld) werden 44
    ik ben geworden 45
worstelen 45
wortel (groente) 45
wortel 45
woud 45
wrat 45
wreef 45
wroeten 45
wulp 45
zaag 45
zaaien 45
zabberen 45
zacht 45
zalf 45
zalig 45
zand 45
zandhaas 45
zaniken 45
zat 45
zeef 45
ziften 45
zeem (leder) 45
zeep 45
zeepsop 45
zeveren 45
zeggen 45
    ik zeg 45
    jij zegt 45
    hij zegt 45
    ik zei 45
    wij zeiden 45
    wij hebben gezegd 45
zelden 45
zemelen 45
zenden 45
zengen 45
zes 45
zestig 45
zetten 45
    ik zette 45
    ik heb gezet 45
zeuren 45
zeven 45
zeventig 45
zevenblad (vlier) 45
zevende 45
ziek 45
ziekte 45
ziel 45
zien 45
    ik zie 45
    jij ziet 45
    hij ziet 45
    ik zag 46
    wij zagen 46
    zie eens! 46
    ziet eens! 46
    zag hij 't maar 46
zij (enk.) 46
    haar (enk.) 46
zij (mv.) 46
    haar (mv.) 46
    hun 46
zijgen (melk ~) 46
zijn 46
    ik ben 46
    jij bent 46
    hij is 46
    wij zijn 46
    gij zijt 46
    zij zijn 46
    ik was 46
    jij was 46
    hij was 46
    wij waren 46
    gij waart 46
    ware hij maar hier! 46
zijn 46
    die hond is de mijne 46
    die kat is de mijne 46
    geef ieder 't zijne! 46
zilver 46
zitten 46
    ik zat 46
    jij zat 46
    hij zat 46
    wij zaten 46
    zat hij maar stil! 46
zoden (hei- of grasplaggen) 46
zoet 46
zoethout 46
zolder 46
zonde 46
zonden (mv.) 46
zooals 46
    zooals je zegt 46
zoon 46
zoom 46
zoomen (mv.) 46
zoomen (ww.) 46
zout 46
zouten 46
zuiden 46
zuigen 46
    hij zuigt 46
    hij zoog 46
zuinig 46
zuipen 46
zullen 47
    ik zal 47
    jij zult 47
    hij zal 47
    wij zullen 47
    ik zou 47
    jij zoudt 47
    hij zou 47
    wij zouden 47
    zult (hoofdkaas) 47
zuurkool 47
zwaaien 47
zwaar 47
zwaard (wapen) 47
zwaartillend 47
zwabber (scheepsdweil) 47
zwade (gemaaid gras) 47
zwak 47
zwaluw 47
zwart 47
zwartselen 47
zwavelbloem 47
zwavelen 47
zweep 47
zweeptouw 47
zweeten 47
    ik zweette 47
zwemmen 47
zweren (etteren) 47
    mijn vinger zwoor 47
zwetsen 47
zwezerik 47
zwijgen 47
zwikken (een kind laten ~) 47
zwoegen (hard werken) 47
een zwoele dag 47
zwoord (spek~) 47
beginnen 47
    ik begin 47
    ik begon 47
    jij begon 47
    hij begon 47
    wij begonnen 47
    wie is begonnen? 47
brengen 47
    ik breng 47
    jij brengt 47
    ik bracht 47
    wij brachten 47
    wij hebben gebracht 47
denken 47
    ik denk 47
    ik dacht 47
    wij dachten 47
    ik heb gedacht 48
dunken 48
    mij dunkt 48
    mij docht 48
    mij heeft gedocht 48
koopen 48
    ik koop 48
    hij koopt 48
    wij koopen 48
    ik kocht 48
    wij kochten 48
    ik heb gekocht 48
zoeken 48
    ik zoek 48
    jij zoekt 48
    hij zoekt 48
    ik zocht 48
    wij zochten 48
    ik heb gezocht 48

Homepage van het WLD | Dialectologie-portaal van de KUN