INLEIDING

1. Voorgeschiedenis

 

In het Gelderse Rivierengebied en op de Veluwe is in vergelijking met Achterhoek en Liemers en andere provincies in ons land weinig onderzoek gedaan naar dialecten. Ook in de Provincie Gelderland ontstond echter het besef dat de plaatselijke dialecten zich steeds meer aan het standaard-Nederlands aanpassen, waardoor de traditionele woordenschat in toenemende mate zal verdwijnen. In de loop van de jaren ’80 kwamen er plaatselijke initiatieven van de grond om het dialect van de eigen streek of plaats te bewaren voor het nageslacht. Op die manier ontstonden zowel op de Veluwe als in het Rivierengebied een aantal plaatselijke dialectwoordenboeken en streekdialectwoordenboeken. In 2000 ontstond binnen de Historische Vereniging Tweestromenland in Wijchen het idee een dialectwoordenboek te schrijven voor het Land van Maas en Waal. Deze historische vereniging zocht destijds voor ondersteuning van het woordenboek contact met het toenmalig Gelders Oudheidkundig Contact, de Katholieke Universiteit Nijmegen (KUN) en het Staring Instituut. In deze fase van het overleg werd ook contact gezocht met de IJsselacademie en de Stichting GrensOverschrijdende Streektalen in Kampen.

Tijdens het overleg tussen deze partijen kwam het plan naar voren om voor het Gelders Rivierengebied en de Veluwe een regionaal woordenboekenproject op te zetten. Op deze wijze zou het “zwarte gat” dat Gelderland in de dialectlexicografie vormde, gedicht kunnen worden.

Ook bij de Provincie Gelderland was er de afgelopen jaren een toenemende interesse voor streektalen. In de cultuurnota Verbindingen wordt de waarde van de streektaal voor het regionale bewustzijn als volgt benadrukt: “Deze [nl. het Nedersaksisch] en andere streektalen maken een nieuwe opleving mee en wij vinden dat een belangrijke ontwikkeling. Streektaal is een uitdrukkingsmiddel van het streekeigene en daar wil ons beleid meer op aansluiten. Voor ons is streektaal een levend erfgoed dat wij willen koesteren.” (Verbindingen, pag. 52). Vandaar dat de Provincie Gelderland het woordenboekenproject voor Gelderland direct financieel gesteund heeft. Op 1 april 2002 ging het Woordenboek van de Gelderse Dialecten (WGD) van start. Het woordenboek wordt geschreven volgens de methodiek van de Limburgse (WLD), Brabantse (WBD), Achterhoekse en Liemerse (WALD) en Overijsselse (WOD) dialectwoordenboeken.

Er wordt bij de vervaardiging van het woordenboek vooral vastgehouden aan de principes die eerder voor de Achterhoek, de Liemers en Overijssel zijn gehanteerd. Op die manier wordt een uniforme beschrijving van de woordenschat van Gelderland en Overijssel gewaarborgd. Gekozen is voor twee afzonderlijke, maar in opzet en uitvoering vergelijkbare regionale woordenboeken, één voor de Veluwe en één voor het Gelderse Rivierengebied, die beide uit verschillende afleveringen zullen bestaan. Het project is een samenwerkingsverband van vier instellingen: de afdeling Taalwetenschap van de Katholieke Universiteit Nijmegen (KUN), het Staring Instituut, de IJsselacademie in Kampen en het Gelders Erfgoed in Zutphen. Rond het samenwerkingsverband heeft zich een stuurgroep gevormd van dialectologen uit de verschillende instituten: Dr. A.H.G. Schaars (Staring Instituut), Drs. P. H. Bloemhoff-de Bruijn (IJsselacademie), Drs. H.van de Wijngaard (KUN), Prof. Dr. R.van Hout (KUN), Drs. B. van Straalen (Gelders Oudheidkundig Contact). Terzijde gestaan door deze stuurgroep verzorgen Dr. H. Scholtmeijer (Veluwe) en Drs. C. Giesbers (Rivierengebied) de coördinatie van het project in hun gebied en de uiteindelijke redactie van het woordenboek.

 

 

 

2. De dialectindeling van Gelderland

 

Van alle provincies in het Nederlandse taalgebied is Gelderland voor dialectologen misschien wel de aantrekkelijkste. Hier komen drie belangrijke dialectfamilies tezamen: de noordoostelijke, de westelijke en de zuidelijke dialecten. Die gebieden lopen op een geleidelijke manier in elkaar over. Er zijn amper scherpe grenzen aan te wijzen. In feite is bijna heel Gelderland een overgangsgebied.

Ondanks die interessante positie houdt de dialectologische belangstelling voor Gelderland niet over. Dat heeft wellicht ook weer te maken met het feit dat het een overgangsgebied is. Wie belangstelling heeft voor de oostelijke taalverschijnselen, bijvoorbeeld, zal eerder de blik richten naar Drenthe of Twente dan naar de Veluwe, waar die oostelijke verschijnselen als het ware de concurrentie aangaan met westelijke taalinvloeden.

Natuurlijk kan men dit beeld niet over heel Gelderland generaliseren. De Achterhoek, onverdacht oostelijk, heeft net als andere oostelijke regio’s de volle aandacht van de dialectologen gehad. Ook het Rivierengebied kan bogen op een zekere traditie, die loopt van Groothuis (zijn Mauriks is wel eens het best gedocumenteerde dialect van Nederland genoemd), via Aussems uit Culemborg en Hol (een van de voornaamste dialectologen in onze geschiedenis; het Dr. A.R. Holplein in haar geboorteplaats Ingen is naar haar genoemd) naar Keij. In alle opzichten komt de Veluwe er wel het bekaaidst vanaf. We hebben de belangrijkste dissertatie van van Schothorst, maar die is alweer een eeuw oud. Bovendien bestrijkt dit boek niet de hele Veluwe. De titel spreekt van de Noord-West-Veluwe, maar het onderzochte gebied is voornamelijk de Gelderse Vallei, met een zwaartepunt rond Van Schothorsts geboorteplaats Barneveld. Van wat werkelijk de noordelijke Veluwe is, zeg maar het gebied ten noorden van de A1, hebben we op een aantal zeer verdienstelijke lokale woordenboeken na, in het geheel niets. Bijgevolg weten we van de dialecten in dit gebied zo goed als niets.

De thans verschijnde woordenboeken beogen in die lacunes te voorzien. Maar in de eerste fase van de materiaalverzameling is het natuurlijk nog niet goed mogelijk een afgerond beeld te geven. De onderstaande schets is gebaseerd op de bestaande bronnen, met alle nadelen van incompleetheid en verouderde beschrijvingen van dien.

 

We beginnen onze beschrijving op de Veluwe, waartoe we alles rekenen tussen IJssel, Rijn en de grens met Utrecht. Het meest noordoostelijke deel wordt gevormd door de IJsselvallei, en door de dorpen op de oostflank van de Veluwse heuvelrug, aan de oude weg van Zwolle naar Apeldoorn: Hattem, Wapenveld, Heerde, Epe, Emst, Vaassen, Wenum Wiesel en ook Apeldoorn. Deze dialecten lijken zeer sterk op wat aan de overkant van de IJssel gesproken wordt. Deze toch tamelijk brede rivier is in het geheel geen dialectscheiding. We zien zelfs dat een opvallend taalverschijnsel dat in Overijssel beperkt is tot een paar Sallandse plaatsen (Dalfsen, Heino, Raalte, Wijhe, Olst) en daarbuiten in heel Overijssel niet voor komt, juist wel weer in de Gelderse IJsselvallei aanwezig is. We doelen hier op de uitspraak van de korte a als ä, en de uitspraak van de aa (in bepaalde woorden) als ää.

In andere woorden is de Nederlandse aa op de oostelijke Veluwe een ao, net als in Overijssel en de Achterhoek. Het betreft hier een historische verdeling: woorden met een oorspronkelijk (dat wil zeggen: in het Westgermaans) lange aa zijn in een ver verleden ‘verdonkerd’ tot ao (vb.: schaop). Woorden met een aa die pas later lang is geworden (door zogeheten rekking in open lettergreep) hebben aan dat proces van verdonkering, dat toen al was afgesloten, niet meegedaan, en zijn een ‘heldere’ aa gebleven (vb. water), en in het oosten dus ää geworden.

Op de westelijke, naar de Zuiderzee helft van de Veluwe, kennen we ook het paar aa/ao voor woorden die in het Nederlands een aa hebben, maar nu is de verdeling fonetisch, om precies te zijn afhankelijk van de klank die op de klinker volgt. Is dat een medeklinker die met de lippen of in het achterste gedeelte van de mondholte wordt gevormd, dan blijft de aa een aa: schaap. Staat de aa aan het eind van een lettergreep, of voor een medeklinker die voor in de mondholte wordt gevormd, dan wordt de aa een ao (waoter). Deze verdeling geldt voor alle Zuiderzeeplaatsen op de Veluwse kust, maar ook voor Urk. Kloeke schrijft: “Bij persoonlijk bezoek op Urk is mij gebleken, dat het “Veluwsch” principe daar zo geregeld opgaat, als men maar van een klankwet mag verwachten.’ (Kloeke 1952: 197). Het zuiden van de Veluwe heeft overal ao.

Is de (Gelderse) Zuiderzeekust dus op het gebied van de aa een eenheid, in een ander belangrijk taalverschijnsel is dat niet het geval. De woorden oud, zout, (ik) zou etc. worden in Elburg en Doornspijk uitgesproken als old, zolt (ik) zol etc., net als vrijwel heel het oosten van Nederland. Naar het zuiden luidt de uitspraak oud, zout, (ik) zou. De grenslijn lusssen oud en old loopt tussen Doornspijk en Nunspeet over de bossen van de Veluwe naar het zuiden. Apeldoorn ligt precies op de grens, en onder Apeldoorn buigt de lijn, weer met de bossen mee, naar het zuidoosten en raakt bij Dieren de IJssel. Op de grens staan ol en ou soms naast elkaar. De Reeks Nederlandse Dialectatlassen (RND), met een opname uit de jaren vijftig, noteert voor Apeldoorn beukenholt naast beukenhout. Bij veldwerk in Nunspeet (buurtschap ’t Hul, dus aan de westkant van de Zuiderzeestraatweg), ten behoeve van dit woordenboek, werd in 2003 hout en zout gehoord naast ik zol. De dialectologe Jo Daan heeft de ol/ou-lijn de status van een dialectgrens gegeven. Op haar kaart vormt die lijn de grens tussen het Gelders-Overijssels en het Veluws. In deze terminologie is dus ‘Veluws’ de aanduiding voor de westelijke helft van de Veluwe, grenzend aan het Veluwemeer.

De ol/ou-grens loopt voor een groot deel, maar niet helemaal, parallel met de grens die de dialecten met een werkwoordsuitgang in de eerste en derde persoon meervoud, tegenwoordige tijd (wule loopt) scheidt van de dialecten met een en-meervoud (wule lopen). Het en-gebied ligt ten westen van deze lijn. Overigens is de e in lopen vaak niet hoorbaar, en klinkt het woord ongeveer als loobm. Alleen in het westen van het lopen-gebied zegt men werkelijk lopen. Dat gebied is tamelijk smal, want bij de monding van de Eem begint het grote, westelijke gebied waar juist de n wordt weggelaten (lope). Nog iets westelijker, door oostelijk Gooiland, loopt de grens die muis (ten westen) scheidt van muus, en ijs van ies. Hiermee is de meest westelijk grens van het Nedersaksische taalgebied bereikt.

Beide lijnen, de lope/lopen-lijn en de ijs/ies-lijn lopen vanaf het Eemmeer in sterk zuidoostelijke richting, en kruisen de Utrechts-Gelderse provinciegrens. De zuidwesthoek van de Veluwe, Scherpenzeel, Ede etc., valt buiten deze lijnen en buiten het Nedersaksisch.

De zuidgrens van het Nedersaksisch wordt op de al genoemde kaart van Daan gevormd door de lijn die gij (ten zuiden ervan) scheidt van jij (als persoonlijk voornaamwoord van de tweede persoon enkelvoud). Vanaf Rhenen in oostelijke richting gerekend hoort de noordelijke Rijnoever hierbij. Of hoorde, want de dialectologe Hol (naar wie deze lijn ook wel de Hollijn heet) constateerde voor de oorlog al dat in Renkum alleen de hoogbejaarden nog gij zeiden. Maar dialectologisch sluit de noordelijke Rijnoever niet alleen op dat punt meer aan bij het Rivierengebied dan bij de rest van de Veluwe. De Betuwe heeft of had ook gij, met uitzondering van Culemborg en omstreken, dat dan weer meer bij het zuidelijke Utrechts aansluit.  De gij-uitspraak vinden we natuurlijk ook ten zuiden van het Rivierengebied, in bijvoorbeeld het Limburgs en het Brabants. De grens tussen deze zuidelijke dialecten en het Rivierengebied wordt gevormd door woorden als heget (‘heeft het’) en doeget (‘doe het’), die we wel in de zuidelijke dialecten aantreffen, en niet in het Rivierengebied.

Door het Rivierengebied lopen dan ook nog een paar grenzen die van noord naar zuid gaan. De al genoemde grens tussen muis en muus scheidt het midden van het oosten (o.a. Nijmegen). In het midden en in het oosten vinden we bovendien umlaut in verkleinwoorden, in het westen niet. De grens loopt over Tiel.

De Liemers sluit op de kaart van Daan aan bij het Rivierengebied en de noordelijke Rijnoever, en valt dus in het gij-gebied. Het geheel van Rivierengebied, noordelijke Rijnoever en Lijmers wordt op deze kaart Zuid-Gelders genoemd. Ten noordoosten van Doetinchem begint het Gelders-Overijssels, dat zich voortzet over de IJssel (de oostelijke Veluwehelft is als gezegd volgens deze kaart ook Gelders-Overijssels) en, de naam zegt het al, in Overijssel. Nog meer naar het oosten vinden we het Twents-Graafschaps. De grens met het Gelders-Overijssels wordt gevormd door de uitspraak van het woord ‘vuur’: in het Gelders-Overijssels vuur, in het Twents-Graafschaps veur. In beide gebieden, Gelders-Overijssels en Twents-Graafschaps, loopt het dialectgebied door over de provinciegrens met Overijssel. Er loopt dus wel een dialectgrens door de Achterhoek, maar niet tussen Achterhoek en Twente.

Schaars onderscheidt in de Noordoostelijke Graafschap een Oostelijke Graafschap en een Noordelijke Graafschap. Het overgangsgebied tussen de Noordoostelijke Graafschap en de Zuidwestlijke Liemers wordt gevormd door Centraal Oost-Gelderland, een brede strook aan weerszijden van de Oude IJssel. De belangrijke grenzen, die de Noordoostelijke Graafschap resp. de Zuidwestelijke Liemers, van het gebied Centraal Oost-Gelderland afscheiden, lopen net als de lijn die bij Daan het Rivierengebied van het Gelders-Overijssels scheidt, van zuidoost naar noordwest, en staan dus min of meer haaks op de IJssel. Schaars ondersteunt zijn indeling met een grote hoeveelheid taalmateriaal, waaronder vooral veel woordmateriaal.

Ook Wilbert Heeringa baseerde zijn indeling van het Nederlandse taalgebied op een grote hoeveelheid materiaal, maar dan vooral fonologisch en morfologisch materiaal. Hij ging namelijk uit van de al genoemde Reeks Nederlandse Dialectatlassen. De noordelijke Veluwe en Achterhoek clusteren in zijn berekening tot een gebied dat door Heeringa ‘Overijssel’ genoemd wordt (dit gebied omvat ook geheel Overijssel en het zuiden van Drenthe). De rest van Gelderland valt onder ‘Central Dutch Varieties’, een grote famile die ook heel Utrecht, heel Noord-Holland, bijna heel Zuid-Holland en het grootste deel van Noord-Brabant omvat.

In het gebied ‘Overijssels’ (dat men ook ‘Zuid-Nedersaksisch’ zou kunnen noemen) kunnen we op Gelderse bodem vier gebieden onderscheiden. De noordpunt (Hattem, Oldebroek) vormt een eenheid met het westen van Overijssel. Het dialect van Nunspeet neemt daarin een afzonderlijke plaats in. De Achterhoek vormt voornamelijk een eenheid met zuid-Overijssel (Wijhe, Bathmen), alleen het dialect van Eibergen laat zich beter bij de Twentse dialecten indelen. Ten zuidwesten van de Achterhoekse/Zuid-Gelderse groep vinden we dan nog een gebied dat Vaassen en Bronkhorst omvat, geheel Gelders dus, en een opmerkelijke eenheid van Veluwe en Achterhoek.

De ‘Central Dutch varieties’ vallen, waar het Gelderland betreft, in drie delen uiteen. De Veluwe vormt een eenheid met zowel het noordoosten van Utrecht als het zuiden van de Achterhoek (Aalten, Doetinchem, Ulft). Lijmers en  de noordelijke Rijnoever horen bij het grootste deel van het Rivierengied. Maar het westen daarvan (Deil) vormt een eenheid met de westelijke Brabantse dialecten.

 

Literatuur:

 

Berns, J. (2002), Zuid-Gelderse Dialecten (Taal in Stad en Land 13). Den Haag: Sdu.

Daan, Jo en D.P. Blok (1969), Van randstad tot landrand. Toelichting bij de kaart: dialecten en naamkunde. Amsterdam: Noord-Hollandsche Uitgevers Maatschappij.

Heeringa, W.J. (2004), Measuring Dialect Pronunciation Differences using Levenshtein Distance. Proefschrift Rijksuniversiteit Groningen.

Hol, A.R. (1936), ‘De noordgrens van het pronomen gij’, TNTL 55, p. 225-240.

Kloeke, G.G. (1952), Verzamelde Opstellen. Als feestgave aan de schrijver aangeboden bij zijn 65ste verjaardag. Assen: Van Gorcum.

Schaars, A.H.G. (1977), Agrarische terminologie in Oost-Gelderland en haar dialectgeografische aspecten. Proefschrift Katholieke Universiteit Nijmegen. Zutphen: Walburg.

Schaars, A.H.G. (1987), De Veluwse dialecten. Veluwse Almanak 1, p. 138-143.

Scholtmeijer, H. (2002), Utrechts, Veluws en Flevolands (Taal in Stad en Land 10). Den Haag: Sdu.

 

3. De thematische opzet van de woordenboeken

 

Het Woordenboek van de Gelderse Dialecten wordt geschreven rond een bepaald thema. In tegenstelling tot de meeste lokale dialectwoordenboeken die er in onze provincie verschijnen is de woordenschat niet alfabetisch, maar thematisch geordend. In het Woordenboek van de Gelderse Dialecten worden dialectwoorden verzameld en gepresenteerd rond drie onderwerpen: De Mens, Het Huis en De Wereld. Aan de hand van deze drie omvangrijke thema’s wordt de belevingswereld van de dialectspreker van vroeger en van nu behandeld. Deze drie thema’s resulteren in drie delen, al dan niet onderverdeeld in verschillende afleveringen. Binnen een aflevering vindt men een zekere ordening, die alweer niet alfabetisch is. Voor de thematische ordening is het uitgangspunt het begrip (het ding, de ruimte, het dier etc.). We geven een overzicht van de woorden die er voor dat begrip in omloop zijn. Daarmee wijken we dus principieel af van de gangbare ordening, toegepast in alfabetische woordenboeken als Van Dale. Die woordenboeken geven eerst het woord, en vermelden dan welke betekenis bij dit woord hoort.

Er zijn drie belangrijke overwegingen om voor de inrichting van een regionaal of provinciaal dialectwoordenboek het thematische principe te kiezen. De eerste reden heeft te maken met het feit dat een regionaal woordenboek per definitie een veeltalig woordenboek is. Het is geen uitzondering wanneer voor een begrip veel (soms wel twintig of meer) verschillende woorden bestaan. Zouden we die alfabetisch ordenen, dan betekent dat dat we op al die verschillende plaatsen in het woordenboek dezelfde betekenis moeten herhalen, en met kruisverwijzingen moeten aangeven welke woorden synoniem zijn. Al gauw zouden we door de bomen het bos niet meer zien. Een tweede voordeel van de thematische opzet is dat afgeronde afleveringen/thema’s direct gepubliceerd kunnen worden. Op die manier komen we de dialectliefhebbers in Gelderland veel sneller tegemoet.

Het derde argument om juist in een dialectwoordenboek thematisch te werk te gaan, is dat veel dialectwoorden niet alleen een taalkundige, maar ook een volkskundige beschrijving verdienen. Hoe geschikt het dialect ook is als communicatiemiddel in onze moderne, (post)industriële tijd, veel dialectwoorden horen toch bij een ander, afgesloten tijdperk: het agrarisch-ambachtelijke tijdperk. Dat is de tijd waarin veel mensen hun brood verdienden in de landbouw, in de bosbouw, in de Zuiderzee- of riviervisserij, of in toeleverende dan wel afnemende bedrijfstakken (klompenmaker, molenaar etc.). Door de afwezigheid van moderne communicatie- en transportmiddelen functioneerde het dialect in een samenleving, waarin, anders dan nu, de standaardtaal geen grote rol speelde. Die agrarisch-ambachtelijke samenleving is grotendeels verdwenen, en daarmee veel van die begrippen die in die samenleving thuishoorden. Het heeft geen zin van een dialectwoord dat bij een verdwenen begrip hoort alleen de betekenis (de begripsomschrijving) te geven. Wie het begrip niet kent, is dan nog niet veel wijzer. De betekenis wordt pas duidelijk door te wijzen op de plaats en de functie van dat begrip in de samenleving, en dat kan vaak door de samenhang met de andere begrippen aan te geven. Die samenhang komt tot zijn recht in een thematisch woordenboek.

Juist omdat de woorden, met hun toelichting, zo sterk gekoppeld worden aan de wereld waarin ze gesproken zijn, is een thematisch woordenboek in zekere zin meer dan alleen een woordenboek: het verhaalt ook van veranderingen in de samenleving. In dit woordenboek bijvoorbeeld, wordt met de dialectwoorden als uitgangspunt, verteld hoe het wonen in de twintigste eeuw (waarin in onze provincie grofweg de evolutie van agrarisch-ambachtelijke samenleving naar (post)industriële samenleving plaatsvond) veranderde. Hadden huizen bijvoorbeeld vroeger doorgaans maar één kamer waar zich al het leven (buiten het werk) afspeelde, later kwamen er meer ruimtes bij die vaak een eigen functie hadden. Zo kwam er een ruimte om te koken en kwamen er slaapvertrekken. De laatste decennia van de 20e eeuw laten weer een integratie van de woonfuncties zien, zoals de open woonkeuken. Andere veranderingen zijn bijvoorbeeld de functieverandering van de ‘mooie kamer’ en in verband daarmee de evolutie van de verwarming (open vuur, kachel, cv) die zulke grote gevolgen had voor ons woongedrag. Er zijn meerdere studies die deze veranderingen beschrijven. Het aantrekkelijke van deze dialectwoordenboeken is dat de ontwikkelingen worden beschreven door de mensen die de veranderingen veelal aan den lijve hebben meegemaakt, en die daarvoor hun eigen woorden hebben, in de taal van hun eigen streek.

 

4. Bronnen

a)      vragenlijsten

De vragenlijsten voor het Woordenboek van de Gelderse Dialecten zijn afgeleid van de vragenlijsten van het Woordenboek van de Achterhoekse en Liemerse Dialecten (WALD) en het Woordenboek van de Overijsselse Dialecten (WOD).

 

b)      lokale woordenboeken

Uit onderstaande plaatselijke woordenboeken worden de woorden die specifiek zijn voor de thema’s  “het huis”, “de mens” en “de wereld” geselecteerd en vervolgens opgenomen in het woordenboek. Deze woordenboeken worden in de lemma’s cursief vermeld. Elk woordenboek heeft zijn eigen afkorting. In de onderstaande lijst van geraadpleegde woordenboeken staat de citeerafkorting in de eerste kolom:

 

Rivierengebied:

afkorting

titel woordenboek

DW Lienden

Baak, W. van (1981), Liendens woordenboek. Lienden.

 

DW Neder-Betuwe 1885

Groothuis, J.G., Woordenlijst van het Neder-Betuwsche dialect. In: Onze Volkstaal, jrg. 2 (1885), pag. 73-117.

 

DW Neder-Betuwe 1998

Hatert, J. en A. Datema (1998), Dialectwoordenboek van de Neder-Betuwe. Kesteren

 

DW Millingen

Hell, N. ( 1991), Kuiere ien de Duffelt. Millingen.

 

DW Huissen

Huissens (1977), ‘Huissen zoas ut zing' en täötel’! Huissen: Stichting Huissens Carnavalsgezelschap "De kraonige Zwaone".

 

DW Groesbeek

Jacobs, W.H. (1997), Gruusbeks woordeboek. Groesbeek.

 

DW Nijmegen

Janssen, W. ( 1987), ‘Zeg ut mar op z'n Nimwèègs’, woordenboek van het Nijmeegs dialect. Nijmegen.

 

DW Maas en Waal

Os, J. van (1980), Maas en Waals woordenboek. Zutphen.

 

DW Oosterhout 1983

Woerkom, T. van (1983), Groebele ien de ben. Zetten.

 

DW Oosterhout 2000

Woerkom, T. van (2000), Betuws buukske. Oosterhout.

 

DW Wijchen

Willems, P. ( ), Wanne praot:Groot Wijchens Woordenboek. Wijchen.

 

c) SGV-vragenlijsten

De SGV-vragenlijsten zijn in 1914 afgenomen door de dialectologen Schrijnen, Van Ginneken en Verbeeten in het Zuiden van Nederland. Het betreft een 55 pagina lange alfabetische vragenlijst waarin naast woorden bijvoorbeeld ook werkwoordsvervoegingen, en meervouden van zelfstandige naamwoorden worden afgevraagd. Het laatste deel van de vragenlijst wordt gevormd door vragen van volkskundige aard. Voor de drie verschillende afleveringen van het woordenboek worden de woorden die specifiek zijn voor “het huis”, “de mens” en “de wereld” uit deze SGV-vragenlijsten geselecteerd. Het gehele voor Gelderland verzamelde materiaal is te raadplegen op de website van het WGD: dialect.ruhosting.nl. Deze vragenlijst is niet in geheel Gelderland afgenomen, maar werd slechts in 13 plaatsen in het zuiden van de provincie afgenomen:


·         Hemmen

·         Elst

·         Appeltern

·         Andelst

·         Slijk

·         Ewijk

·         Neerbosch

·         Lent

·         Alphen

·         Niftrik

·         Overasselt

·         Heumen

·         Groesbeek


 

5. Plaatsen

 

Het materiaal voor dit woordenboek is verzameld door middel van vragenlijsten, die door inwoners van binnen en buiten de provincie (maar elk met een gedegen kennis van een Gelders dialect, doorgaans de moedertaal) ingevuld zijn. Achter elk dialectwoord staat de plaats waarvoor dit woord is opgegeven. Vaak komt een woord in meer plaatsen voor, en dan staan er dus ook meer plaatsen achter dat woord vermeld. De volgorde waarin die plaatsen genoemd worden, ligt vast, en is als volgt tot stand gekomen. Als uitgangspunt nemen we de kaart van Gelderland, en die lezen we alsof het een bladzijde van een boek betreft. We beginnen bovenaan, gaan dan van links naar rechts (eigenlijk van west naar oost), en bij de Duits grens aangekomen gaan we naar het begin van de volgende ‘regel’: weer van west naar oost, maar nu een stukje zuidelijker. Uiteindelijk komen we zo in het zuidoosten van het Rivierengebied uit.

Als een woord dus in bijvoorbeeld zowel Kesteren als Puiflijk opgegeven is, volgt achter dat woord eerst ‘Kesteren’, en dan ‘Puiflijk’. Bij plaatsen die zo ver uit elkaar liggen, is het bepalen van de volgorde eenvoudig, maar bij dicht bij elkaar gelegen plaatsen wordt het moeilijk. Liggen Kesteren en Huissen op dezelfde ‘regel’, zodat eerst het westelijke Kesteren en dan het iets oostelijker Huissen genoemd moeten worden? Of is er sprake van twee ‘regels’, zodat we eerst van Huissen in oostelijke richting gaan, helemaal tot aan de Duitse grens, en dan pas naar de volgende, zuidelijker ‘regel’ (met daarop Kesteren) verspringen? In deze en gelijke kwesties volgen we het coöordinatensysteem dat door L. Grootaers en G.G. Kloeke is bedacht, waarbij aan elke plaats in Nederland (en Vlaanderen) een combinatie van een letter en een getal is gegeven. Die combinatie staat bekend als de Kloekecode, en in dit boek nemen we de Kloekecode als uitgangspunt van de volgordebepaling: de ‘laagste’ code noemen we het eerst. Kesteren heeft als Kloekecode L 012, Huissen L 026 en dus noemen we, als een woord in zowel Kesteren als Huissen voorkomt, het eerst Huissen en daarna Kesteren. Verder komen de Kloekecodes die met een K beginnen steevast voor die welke met een L beginnen (andere aanvangsletters zijn er niet in het Gelderse Rivierengebied).

 

 


alfabetische lijst van plaatsen

 

Alphen                         L  089

Ammerzoden                K 120

Angeren                       L  026a

Asperen                       K 076

Balgoij                          L  108

Batenburg                     L  098

Bemmel                        L  069

Beneden-Leeuwen        L  053

Brakel                          K 104

Bruchem                       K 119a

Culemborg                   K 039

Deest                           L  054c

Doornenburg                L  076

Dreumel                       L  047 

Druten                          L  054

Echteld             L  049

Elst                               L  025

Ewijk                           L  064

Gendt                           L  070

Groesbeek                   L  119

Hedel                           K 144

Hernen                         L  064b

Herwijnen                     K 104a

Huissen                        L  026

Hulhuizen                      L  070

Ingen                            L  003

Kesteren                      L  012

Leuth                            L  074

Millingen                       L  075

Nijmegen                      L  071

Nieuwaal                      K 116a

Ochten                         L  051

Ooij                             L  073

Oosterhout                   L  063

Ophemert                     L  046

Opheusden                   L  013

Overasselt                    L  111

Puiflijk              L  054b

Spijk                            K 075a

Tiel                               L  044

Tricht                           K 079a

Valburg                        L  062

Varik                            L  087

Wamel                         L  048

Wijchen                        L  106

Winssen                       L  064a

Zaltbommel                  K 117

Zoelmond                     K 040

Zuilichem                      L  074


 


 

In het Woordenboek van de Achterhoekse en Liemerse Dialecten (WALD) en het Woordenboek van de Overijsselse Dialecten (WOD) is het een goede gewoonte dat de enquêtering niet uitsluitend beperkt blijft tot het eigenlijke gebied (Achterhoek en Liemers resp. Overijssel), maar dat ook enkele plaatsen aan de andere zijde van de provinciegrens worden meegenomen. Dialecten trekken zich immers van een provinciegrens niets aan, en het is dus interessant om na te gaan of een in ons gebied aangetroffen verschijnsel zich ook buiten de provincie voortzet. Het Rivierengebied grenst aan de Veluwe, de Achterhoek, Brabant, Limburg, maar deze dialecten zijn of worden al in kaart gebracht. Voor het westelijk grensgebied, Utrecht en Zuid-Holland geldt dat niet, en daarom hebben we ook uit deze provincies enkele plaatsen opgenomen:

 

Rhenen                         L 008

Achterberg                               L 008a

Leerbroek                                K 072

 

Een woord kan in een bepaalde vorm in (vrijwel) alle plaatsen opgegeven zijn; in dat geval staat achter het woord vermeld ‘algemeen’. Soms ziet men een bepaalde plaats vermeld bij twee of meer verschillende woorden die hetzelfde begrip aanduiden. In dat geval bestaan er voor een begrip dus in één plaats meerdere woorden, wat te maken kan hebben met de invloed van naburige dialecten of van het Nederlands. Die verschillende woorden kunnen door één medewerker opgegeven zijn, maar ook is het mogelijk dat verschillende, onafhankelijk van elkaar werkende personen of groepjes van personen een verschillend woord hebben opgegeven.

Niet elke lijst is uit elke plaats teruggekomen. Dat verklaart waarom we in het ene hoofdstuk soms wel een bepaalde plaats regelmatig tegenkomen, en in een ander hoofdstuk in het geheel niet.

 

 

7. Spelling

 

De spelling die in dit woordenboek gehanteerd wordt, is gebaseerd op de spelling van het Woordenboek van de Achterhoekse en Liemerse Dialecten (WALD). Deze spelling wijkt in grote lijnen niet af van het Nederlands. Dit komt de leesbaarheid ten goede. Hieronder staat een tabel met de schrijfwijze van de klinkers in het woordenboek. Bij elke klank wordt als voorbeeld een Nederlands woord (kolom 2) en een dialectwoord (kolom 3) genoemd. De genoemde dialectwoorden zijn slechts voorbeelden uit het dialect van enkele plaatsen uit het onderzoeksgebied.

 

schrijfwijze

Voor de klank die men hoort in het Nederlandse woord:

Voor de klank die men bijvoorbeeld hoort in het dialectwoord:

aa

haat, daar

maan (morgen)

a

kar, bak

naks (naakt), gemakt (gemaakt)

ee

been

deel (dorsvloer)

ae

militair

kaes (kaas)

e

de (zonder klemtoon)

slaope (slapen)

e

stem, ver

kel (man)

oo

boom

loocht (lucht), gezoocht (gezocht)

ao

roze, zone

schaop (schaap)

o

stom, vlok

boks (broek), bom (boom)

ö

Duitse woord: Köln

mök (kalf), böm (bomen)

äö

freule

päöl (palen)

oe

boek, koe

groebele (graaien)

uu

ruw

kruus (kruis), stuuver (stuiver)

u

put, muts

stukske (stukje)

eu

deur, zeuren

geleuve (geloven), neuje (uitnodigen)

ie

diep, kiem

riek (rijk), kieke (kijken)

i

pit, kind

dorhin (daarheen), niggende (negende)

lange klinkers

Een dubbele punt achter een klinker geeft aan dat deze met rekking wordt uitgesproken: huus (huis) vs. huu:s (huizen), wa:ld (bos), mi:ns (mens).

 

Tweeklanken die in het Nederlands voorkomen, worden geschreven als in het Nederlands:

 

schrijfwijze

Voor de klank die men hoort in het Nederlandse woord:

ij

fijn, pijn

ei

weide, kei

ui

lui

aai

fraai

ooi

mooi

oei

koeien

ou

touw

au

gauw

eeuw

leeuw

ieuw

nieuw

 

 

Tweeklanken die niet in het Nederlands voorkomen, worden met een j gespeld:

 

Schrijfwijze

Voor de klank die men hoort in het dialectwoord:

i-j

bi-jkeuken (bijkeuken)

iej

boerderieje (boerderij)

 

Medeklinkers

De medeklinkers worden gespeld als in het Nederlands.

 

8a. Hoofdstukindeling: Het huis

 

Het eerste deel begint met het algemene, overkoepelende woord ‘huis’ (hoofdstuk 1). Aan het begrip ‘huis’ zijn verschillende aspecten te onderscheiden.

 

1.      De indeling van het huis: de vertrekken met hun functie en hun meubilair

2.      De constructie van het huis

3.      De omgeving van het huis: bijgebouwen, tuin

4.      Verschillende typen: boerenhuis, burgerhuis etc.

 

In het woordenboek volgen wij deze indeling. In eerste instantie trekken we het huis binnen, en constateren een hoofdindeling in woongedeelte (voorhuis) en bedrijfsgedeelte (achterhuis). Dat achterhuis kunnen we laten voor wat het is. Alles wat zich daar afspeelt, heeft namelijk met werk te maken, en hoort dus thuis in een vakwoordenboek, en niet in een algemeen thematisch woordenboek als dit deel van het Woordenboek van de Overijsselse Dialecten. Er zijn natuurlijk uitzonderingen. Maar in eerste instantie beperken we ons tot het voorhuis. Daar treffen we verschillende vertrekken aan, elk met hun eigen functie.

Het dagelijkse leven speelde zich, voor zover binnenshuis, af in wat zich het beste laat omschrijven als de ‘woonkeuken’. Daar werd gekookt en gegeten. Het was ook de enige plaats in huis waar vuur was; eerst een open vuur, later een kachel en/of een fornuis, waarin de functies van verwarmen en koken gescheiden waren. De meest in het oog springende functie van de keuken is de functie die dit vertrek nog altijd heeft: de plaats waar de maaltijden worden bereid. Maar ook buiten de maaltijden speelde het leven zich in de keuken af. Hier stond dan ook het gewone, dagelijkse meubilair: tafel, stoelen etc.. Soms speelde niet alleen het wakkere, maar ook het slapende gedeelte van het leven buiten het werk zich af in de ‘keuken’, als zich daar de bedsteden bevonden. Maar toen de woningen verschillende kamers kregen, en zeker toen de bedstede vervangen werd door het losse bed, werd uitgeweken naar een aparte slaapkamer. In huizen met een opkamer werd die verhoogde kamer ook wel als slaapkamer gebruikt; ook andere kamers als de dienstbodenkamer, en soms ook de zolder, hadden primair de functie van slaapvertrek. Vandaar dat alles wat met slapen samenhangt (in ruime zin) behandeld wordt in het hoofdstuk dat over de slaapkamers gaat.

Vervolgens verschuift het perspectief meer naar de franje van het binnenhuiselijke leven, de spullen die getuigen van luxe en welstand. Aanvankelijk waren die zaken vooral te vinden in de mooie kamer, de kamer die alleen op zon- en feestdagen werd gebruikt, maar gaandeweg vormen ze een geïntegreerd onderdeel van het alledaagse bestaan. Ook het sanitair weerspiegelt in zijn ontwikkeling de hang naar luxe, en datzelfde geldt ook voor huisdieren; in plaats van zich nuttig te maken met het leggen van eieren, het bewaken van het erf of het jagen op muizen, is de voornaamste functie van het huisdier nu het bieden van gezelschap. Voor bepaalde huisdieren, namelijk de hond en de kat, betekent dat dat ze in huis worden gehaald, en ook een bepaald deel van het sanitair verdwijnt van buiten naar binnen, namelijk het sanitair waar de behoefte gedaan wordt. In de eerste hoofdstukken werd beschreven dat de verschillende functies van het huis, vroeger geconcentreerd in de grote (woon-)keuken, nu verspreid raken over alle vertrekken in het huis. Maar wat zich vroeger buitenshuis afspeelde, vindt nu inpandig plaats. Aan het einde van de twintigste eeuw vullen de woonfuncties het hele huis, met ieder vertrek een eigen functie zo lijkt het, en hoeft mens noch dier voor activiteiten die bij het wonen horen amper de deur uit.

In dit woordenboek is verwarming in het ruimere kader van de woonkeuken geplaatst, omdat verwarmen aanvankelijk niet los kon worden gezien van koken. De verlichting gaat onmiddellijk vooraf aan het hoofdstuk over radio, televisie en telefoon. De verbindende schakel wordt gevormd door Thomas Alva Edison, en het feit dat waarschijnlijk weinig ons wonen zo heeft veranderd als de introductie van de electriciteit.

Het perspectief verschuift daarna van het binnenhuis, via ramen en deuren, naar de ruimte buitenshuis, en in het laatste hoofdstuk worden de verschillende vormen die een huis kan hebben, van los hoes tot flat, besproken. De ‘middelpuntvliedende’ ontwikkeling, die aan het begin werd ingezet met de woonkeuken, de plaats waar bijna al het leven geconcentreerd was, bereikt met de beschouwing van de verschillende huisvormen haar uiterste rand, en kan alleen nog worden voortgezet in afleveringen die handelen over ‘de wereld’.

 

8b Hoofdstukindeling: De mens

 

We beginnen het eerste deel, lichamelijke aspecten van de mens, met de mens algemeen (hoofdstuk 1), levensfasen (hoofdstuk 2) en uiterlijk (hoofdstuk 3). In het verlengde van het uiterlijk liggen de hoofdstukken die over het menselijk lichaam gaan en die weer opgedeeld zijn naar algemeen (4) of naar verschillende lichaamsdelen (5 tot en met 8). Daarna komen de verschillende functies van het menselijk lichaam aan de orde: de verwerking van eten en drinken (9) en  de voortplanting (10). Hoofdstuk 11 behandelt dan het slapen en alles wat daarmee samenhangt. Hoofdstuk 12 is gewijd aan andere lichamelijke verschijnselen. Het menselijk lichaam kan ook disfunctioneren. In hoofdstuk 13 en 14 wordt het lichamelijk ongemak en de ziekte in algemene zin besproken, de vervolghoofdstukken (15 tot en met 19) gaan over specifieke gebreken en ziektes. Met hoofdstuk 20, over de verzorging van de ziektes, wordt het subthema van het menselijk lichaam afgesloten.

Het tweede deel gaat over eten en drinken. Hoofdstuk 1 is weer het algemene hoofdstuk, waarna de hoofdstukken over specifieke delen van de maaltijd (2 tot en met 7) volgen. In hoofdstuk 8 worden de woorden genoemd die met het bereiden van ingrediënten te maken hebben, hoofdstuk 9 gaat over de gerechten die zo tot stand komen, en hoofdstuk 10 noemt de maaltijden waarbij die gerechten genuttigd werden. Al dan niet buiten de maaltijden om is er dan fruit (11) of zoetigheid en lekkers (12). Hoofdstuk 13 gaat over het drinken. Het hoofdstuk over tabak (14) hoort formeel niet tot eten en drinken, maar past wel bij die overige vormen van consumptie, en sluit dan ook dit subthema af. Het gaat hier dus over de consumptie van tabak, niet over de productie; dat laatste is niet onbelangrijk om op te merken in een dialectwoordenboek dat ook het gebied bestrijkt dat eens het centrum van de inheemse tabaksteelt en sigarenmakers was.

Het laatste en derde deel is kleding, en ook hier vinden we weer een algemeen hoofdstuk (1) en hoofdstukken gewijd aan specifieke kledingstukken (2 tot en met 7). Daar sluit het hoofdstuk over versiering (8) bij aan, en dan is het nog maar een klein stapje naar de uiterlijke verzorging (9).

De thema’s ‘bewegingen en houdingen’ en ‘geestelijke eigenschappen’ zijn wel afgevraagd, maar kunnen vanwege ruimtegebrek niet behandeld worden. Te zijner tijd zullen de dialectwoorden op de website te vinden zijn. Bij wijze van voorproefje wordt hieronder het lemma inschenken ‘geserveerd’. Er is in het Rivierengebied duidelijk een scheiding tussen oost en west (zie kaart). In het oosten wordt in het gebied ten zuiden van de grote rivieren inschudde, ienschudde, ienschurre gezegd, in het westen wordt gesproken van inschenke, inschinke.

 

INSCHENKEN

 

inschudde: Rhenen, Dreumel, Druten, Puiflijk, Deest, Ewijk, Winssen, Hernen, Nijmegen, Batenburg, Balgoy.

ienschudde: Ooij, Millingen, Groesbeek.

ienschurre: Groesbeek.

inschinke: Culemborg, Spijk, Bruchem, Ammerzoden, Ingen, Elst.

inschenke: Zoelmond, Tricht, Tiel, Varik.

ingiete: Zoelmond, Spijk, Ingen, Rhenen, Tiel, Boven-Leeuwen, Druten, Varik, Alphen.

spaete: Balgoy.

inspette: Boven-Leeuwen.

 

 

9. Medewerkers

 


Aalst                                     

Mw. H. van Wijk-Ermstrang

 

Achterberg                          

Dhr. G.H.van Rooijen

 

Alphen                  

Dhr. J. van Dijk

 

Ammerzoden                       

Dhr. A.L.J. van Doornmalen

 

Angeren               

Dhr. B. van Onna

Dhr. Bouwman

 

Asperen                

Vereniging Oud Asperen

Dhr. J.A. Bogerd

Dhr. R. Zondag

 

Balgoy

Dhr. W. Th. J. Verhoeven

Mw. G.M. van Haren-de Kleijn

Dhr. M.J. van Haren

 

Batenburg                            

Dhr. A.P.J.J. Banken

 

Bemmel                                

Dhr. D. Meurs

Dhr. G. Meeuwsen

Mw. B. Derksen

Mw. G. van Eck

Mw. M. Janssen

 

Beneden-Leeuwen              

Dhr. A.J. van de Borgh

 

Boven-Leeuwen

Mw. F.M. van Lubeek-Arts

 

Bruchem                              

Dhr. G.M. Verkuil

Dhr. H. Bracht

Dhr. H.G. de Kort

Mw. A.M van Oss-van Kuijl

 

Culemborg                           

Dhr. E. Spithoven

Dhr. J. Vermeulen

Dhr. W. Bonouvrie

Mw. N. Vermeulen

 

Deest                                     

Dhr. A. Janssen

Mw. R.v.d. Velden-Melssen

 

Doornenburg                       

Dhr. H. Peters

Mw. R.F.A. Aleven

 

Dreumel                               

Dhr. J. van Dinter

Dhr. N.A.M. de Jong

 

Druten                  

Dhr. C. van de Heuvel

Mw. G.M.G. van den Heuvel-de Reuter

Dhr. J. van Oss

Mw. M.W. A. van Oss-van Dinteren

Mw. A. Marcus-van den Broek

 

Echteld                  

Historische Kring Kesteren en omstreken/Datema-instituut

Dhr. A. Datema

 

Elst                                        

Dhr. H. Korthouwer

Dhr. J. Polman

Dhr. M. Polman

 

Ewijk                     

Dhr. W. van Gemert

Mw. A. Roelofs

Mw. A.M. Visee-Peters

 

Gameren

Dhr. H. Satter

 

Geldermalsen                      

Dhr. G.J. van Kessel

 

Gendt                                    

Historische Kring Gente

Dhr. T. Nahon

Dhr. W. Kregting

Dhr. H. Teunissen

Dhr. H. Nissen

Dhr. H. Scholten

Mw. R. Berends

 

Groesbeek           

Mw. L. Müskens-Jansen

Dhr. B. Thissen

Dhr. E. Hoffman

Mw. C. Giesbers

 

Hernen                 

Dhr. A.W. Duifhuizen        

 

Herwijnen                            

Dhr. J.de Fockert

 

Huissen                

Dhr. A. Janssen

Dhr. J. van Aalten-Grunningen

Dhr. P. Driessen  

Dhr. W. Kelle

 

Ingen                                     

Dhr. E.C.van Kraaikamp

Mw. A.G. van Kraaikamp-Lothorst

Mw. J. Honders

 

Kerkdriel                             

Dhr. R. Goesten

Mw. de Groot-de Leeuw

Mw. te Voert-Essing

 

Kesteren                              

Historische Kring Kesteren en omstreken/Datema-instituut

Dhr. G. Opperman

 

Leerbroek                            

Dhr. H.J. Rijneveld

 

Leuth                    

Dhr. J.van Eck

Dhr. E. Coerwinkel

 

Millingen                             

Dhr. A. Th. Hell

Dhr. J. Driessen

 

Nieuwaal

Dhr. G.H. van Wijk

 

Nijmegen                             

Dhr. E. Christ

Dhr. H. Burgers

Dhr. J.Th.A.E. Roelofs

Mw. A. van Balkom

Mw. M.C.C.J. Sengers

 

Ochten                  

Historische Kring Kesteren en omstreken/Datema-instituut

Dhr. H. van de Hatert

 

Ooij                                       

Dhr. H. Hendriks

Dhr. J. van de Brink

Dhr. K. Jeuken

Dhr. P. Kroes

Dhr. M. Kroes

Mw. Brugman-Peters

Mw. L. Huisman-Arts

Mw. L. Kroes-Arts

 

Oosterhout                          

Dhr. Th. van Woerkom

 

Ophemert                             

Mw. C.A. van Lith-Kusters

Mw. C.A. van Lith

 

Opheusden                           

Historische Kring Kesteren en omstreken/Datema-instituut

Dhr. P. Gerrits

 

Overasselt                           

Dhr. A.P. Theunissen

 

Poederijen

Dhr. H. Kolback

 

Puiflijk                 

Dhr. H. van Elk

 

Rhenen                 

Dhr. W. van Selm

Dhr. R.C.A. van Voorthuizen

 

Spijk                                     

Werkgroep streektaal Historische Vereniging Spijk en Vogelswerf

Dhr. K. de Groot jr.

Dhr. K. de Groot sr.

Dhr. H. van Aalsburg

Dhr. H. de Jong

Dhr. P. Vink

Dhr. G. Heikoop

Dhr. G. van Beest

 

Tiel                                        

Mw. A. Steenis

Mw. D. van Rijnberg-van Lienden

 

Tricht                                   

Dhr. D.J. van de Koppel

Mw. G.A. van de Koppel-Homoet

 

Valburg                

Dhr. H. Schouten

Dhr. J.A. Jansen

Mw. Leenders

 

Varik                    

Dhr. P.C. van Beest

 

Wamel                  

Dhr. J. Th. van den Hurk

Dhr. M.C.M.van Rossum

 

Wijchen                               

Historische Vereniging Tweestromenland

Dhr. C. Hendriks

Mw. R. Peters

 

Winssen                               

Dhr. W. van de Dobbelsteen

Mw. D. van de Dobbelsteen

Dhr. W.J. van den Dobbelsteen

Mw. L.W.A. van den Dobbelsteen-Aalbers

Dhr. M. Lam

Dhr. P. van de Geer

 

Zaltbommel                          

Dhr. D. van Gameren

Dhr. H. Keeser

Dhr. J. van Sermond

 

Zoelmond

Dhr. G.J. van Erkel

 

Zuilichem

Mw. M. Vernooij-Baks

Mw. R. Kooijman-van Son