Dialectverschillen in Gelderland

dr. A.R. Hol († klik hier voor meer informatie over de auteur)

Als men de dialecten die in Gelderland gesproken worden nagaat, bemerkt men al gauw, dat er grote verschillen bestaan. Eigenaardigheden, die ook eigen zijn aan de streektalen van Brabant en Limburg, ook van Belgisch-Brabant en -Limburg, en van de provincie Antwerpen, merkt men in een gedeelte op, terwijl in een ander gedeelte bijzonderheden uit het "plat" van het hele oosten van het land en van het aangrenzende Neder-Duitsland vastgesteld kunnen worden, en in een derde deel overeenkomsten te constateren vallen met de dialecten van westelijk Nederland.

De verschillen tussen de Gelderse dialecten zullen eerst gedemonstreerd worden aan verschillen tussen enkele woorden, en wel heel gewone woorden uit de agrarische sector, waarvan men mag veronderstellen, dat ze al eeuwen bekend geweest zijn. Het eerste is het omwerken van de grond door middel van handkracht. Dit heet in onze cultuurtaal spitten(n), maar in de streek van de grote rivieren spaoje, ten oosten van de Rijn spaje(n), verder naar het oosten spaden; in Bredevoort, Lichtenvoorde en Winterswijk echter ummemaken.
Spaoje, spaje(n), spaden is geen woord dat alleen in de Rivierenstreek gebruikt wordt, maar ook ten zuiden en ten noorden ervan gebezigd wordt. 
Dat een landelijke bevolking een naam kent voor het vocht dat uit de uier, in de eerste plaats die van de koe, komt, zal ieder beamen. Het is opmerkelijk, dat dit vocht niet in geheel Gelderland dezelfde naam draagt. De Rivierenstreek heeft (had) tot even ten noorden en oosten van de Rijn de naam room voor deze vloeistof. Melk is (was) karnemelk en wat de melkboer tegenwoordig onder de naam room verkoopt, heet(te) het vet van de room. Door de verwerking van de melk in de zuivelfabrieken is de naam room de laatste jaren sterk op zijn retour. Maar alweer, room en melk zijn in de bovengenoemde betekenis geen onderonsjes van de mensen uit de Rivierenstreek: in Noord-Brabant, behalve in het westelijk deel, kan men ze eveneens horen.
De eerste kaart van de Taalatlas van Noord- en Zuid-Nederland, die in 1939 is verschenen, geeft de naam van een heel nietig voorwerp, nl. de haak waarmee de zeis, toch zeker een werktuig waarmee men al eeuwenlang gewerkt heeft, aan de steel is bevestigd. Dat nietige haakje blijkt in grote gebieden dezelfde naam te dragen. Van de taalgrens in België tot ongeveer de Rijn in is het er een van het type angel. Varianten hiervan zijn ang, ank, eng, hang, hank. Ten noorden en ten oosten van dit gebied met angel etc. heet die haak ham. Ham is de benaming van de west-Veluwe, van de Liemers en van de zuid-Achterhoek, ook die van midden-Limburg, arend die van west-Utrecht en het vasteland van Zuid-Holland.

Dat er overeenkomst blijkt te bestaan in de naam van de eenvoudigste bewerking van de grond, in de na water best bekende vloeistof, in een onderdeel van een algemeen gebruikt voorwerp, wijst toch zeker op het bestaan van een contact, op een invloed van een of andere kant. Dit contact, deze invloed, moet veel groter geweest zijn als die valt op te merken in de woorden, waarmee men elkaar aanspreekt, in de persoonlijke voornaamwoorden van de 2e persoon dus. Deze voornaamwoorden zijn in Gelderland interessant.
In de Rivierenstreek en tot voor kort ook aan de Veluwezoom is gij en zijn variant gi-j in gebruik. De grens van dit gij-gebruik valt niet samen met de Gelders-Utrechtse grens; ook in Rhenen zegt men gij. Echter, het gebied met gij etc. begint ten westen van Arnhem grote hiaten te vertonen, en ten oosten van die stad wordt de kring van gij-zeggers iedere dag kleiner. Kon men een dertig jaar geleden in Wageningen, Bennekom, Renkum de ouderen nog gij horen zeggen en was het aantal gij-zeggers in Oosterbeek toen nog vrij groot, thans vindt men in deze plaatsen hoogstens enkele resten van dit gebruik. Oorzaak: de geheel veranderde omstandigheden in deze plaatsen, die gemaakt hebben, dat het aantal autochtonen gering geworden is in verhouding tot het aantal mensen dat zich hier heeft gevestigd. Ook door het toerisme komen groepen van mensen er toe hun dialect op te geven en zich te gaan bedienen van het Nederlands, of van een taal die dit dicht nadert.

Het met g beginnende persoonlijk voornaamwoord is ook dat van Noord-Brabant, noord- en midden-Limburg en het Vlaams-sprekende gedeelte van België. Wel kan men daar aan de zeekant ook vormen die met j beginnen horen, vooral ten zuiden van de IJzer en in Frans-Vlaanderen.
Het gij van de Rivierenstreek (met uitzondering van Culemborg en omgeving) staat in het westelijk deel tegenover jij (jaai), jie, in het oostelijk deel tegenover i-j. Bij Ellecom snijdt de grens van gi-j de IJssel en loopt dan verder ongeveer langs de oude IJssel naar het zuiden. 
Gij, gi-j was oorspronkelijk het voornaamwoord van de 2e persoon meervoud; dat van de 2e persoon enkelvoud doe is verdwenen, een verschijnsel dat men ook in de talen van de ons omringende volken kan opmerken. Doe kan men echter als dow nog horen in Groenlo en Winterswijk. 
De enclitische vorm -de (wilde, zegde, strikte, strafte, gaode) wordt vaak, als het voornaamwoord enige nadruk krijgt, versterkt met gij (wilde gij, zegde gij enz.).
Toen gij enkelvoudsvorm was geworden, is er een nieuwe meervoudsvorm gevormd door achtervoeging van lieden en lui. Deze meervoudsvorm luidt in Gelderland van het westen naar het oosten: göllie, gellie en gillie. Op de Veluwe staat ji-j, jie, juullie en varianten tegenover i-j, ie, i-jleu en ieleu (ook i-jluu en ieluu). De grens van het met j beginnende voornaamwoord tegenover het voornaamwoord dat alleen uit de klinker bestaat, loopt in de richting noord-zuid over het hoogste gedeelte van de Veluwe; i-j, ie is ook het voornaamwoord van de Achterhoek. 
Als (meewerkend of lijdend) voorwerpsvorm bij gij is oe in gebruik, in de Liemers met iets opener en iets meer geronde klinker uitgesproken als ow. De beklemtoonde vorm van oe is ou, doch deze vorm hoort men niet vaak meer. De vorm van het westen met j, jou, is er voor in de plaats gekomen.

Aan weinigen zal het opgevallen zijn, dat er in onze provincie verschil bestaat in het werkwoord dat aan het Nederlandse zijn beantwoordt. De vorm van de 1e en 3e persoon meervoud van de tegenwoordige tijd luidt in de Rivierenstreek en op de zuid-Veluwe (wij, zij) zijn of zien, op de midden- en noord-Veluwe (wij, zij) bin, in de Achterhoek, waar men het meervoud vormt door t achter de stam te plaatsen (wij, zij) bunt en ook zunt, in de Liemers bun, zun en zin. Ook op het platteland van Utrecht en Zuid-Holland en Zeeland is een vorm van bennen, ook binnen, in gebruik. In sommige grotere plaatsen begint, daar de cultuurtaal zijn heeft, zijn door te dringen. Bennen mag dan in het westen niet onbeschaafd gevonden worden, heel beschaafd klinkt het ook daar niet. Maar datzelfde bennen heeft aan het Nederlands de vorm van de eerste persoon enkelvoud geleverd: ik ben. De Rivierenstreek, ook oost-Noord-Brabant en een gedeelte van Nederlands-sprekend België is in de voorkeur voor de zijn-vormen consequent, de 1e persoon luidt daar: (ik) zij. Ik zij wordt ten noorden van de Rijn niet gezegd en ten zuiden ervan niet in de steden en stadjes. Het wordt vermeden, zo gauw men meent wat meer beschaafd te moeten spreken. In verschillende plaatsen in oost-Noord-Brabant heet (ik) zij, heel ouderwets.
Opvallend is ook de werkwoordsvorm van de 2e persoon meervoud. In het gij-gebied is deze de stam + t, in dat met jullie etc. de stam + e(n). Hier heeft het meervoud dus maar een een vorm namelijk de stam + e(n). Van en wordt de n tussen haakjes geplaatst omdat de n na een e-schwa (dat is de e van het lidwoord de) in slechts een gedeelte van ons gebied wordt uitgesproken. De lijn tusssen het al dan niet uitspreken van de schwa is één van de belangrijkste grenslijnen die door ons gebied lopen, maar daarover straks. Eén vorm, namelijk die bestaat uit stam + t, wordt eveneens gebezigd in het hele oosten van Gelderland, het gedeelte ten oosten van de Oude IJssel en op de Veluwe ten oosten van het hoge middengedeelte. Dit meervoud van de tegenwoordige tijd op -t is niet alleen Gelders, maar ook Overijssels en Drents en is ook in het Groningse Westerwolde te horen. Het is niet beperkt tot oost-Nederland, doch is ook de vorm van het aangrenzende Nederduitse gebied.

Een andere interessante grens loopt door ons gewest: die van de verkleiningsuitgangen op -ke. Niet precies tussen dezelfde plaatsen loopt de grens van alle woorden met -ke. Er is verschil, dat afhangt van de eindmedeklinkers der woorden. Verkleinwoorden van woorden die eindigen op n en l, bv. pan en bril, panneke en brilleke, komen het verst naar het westen voor. In de west-Betuwe en de west-Veluwezoom valt deze grens met die van gij samen, maar na Arnhem komt er verschil. De grens van de verkleinwoorden op -ke buigt dan naar het noorden. Dat de vormen met -ke die van het zuiden zijn, is bekend. 
Heel scherp komt de eenheid van het midden uit als deze alleen bestaat in klinkerverschillen in hetzelfde woord. Dit is het verschil in de verschillende uitspraak van het woord broer, ook van groen, zoeken, moe. In het hele midden van het taalgebied, van de taalgrens in België af tot even ten noorden van de Rijn ten oosten van de oude IJsel, is de klinker uu: bruur, gruun, zuke(n), muuj (muug). Ten noorden en oosten van dit gebied is de klinker eu: breur, greun, zeuken, meuj. Ten westen van dit bruur/breur-gebied zegt men broer enz., de vormen van het Nederlands.
Deze eenheid van het westen in de uitspraak van de klinker brengt ons naar naar een andere groep van dialectgrenzen, die in hoofdzaak de richting noord-zuid hebben. Door Maas en Waal en Betuwe, een klein gedeelte van de west-Veluwe en oost-Utrecht loopt de grens van het gebied waarin men aan de westkant zegt wijs, ijzer, wijn, prijze(n) enz., aan de oostkant wies, iezer, wien, prieze(n) enz. Vlakbij deze grenslijn ligt die van de uitspraak huis, muis met ui tegenover die van huus, muus. De laatste overgang komt niet alleen voor in deze woorden. Gedeeltelijk aan, gedeeltelijk vlakbij de IJsel ligt de grens van de uitspraak muus. Ten zuiden van de IJsel loopt die door de Lijmers. Ten oosten ervan heet het kleine knaagdier moes. De uitspraak hoes kan men in het oosten van de Achterhoek horen.
Een andere dialectgrens die noord-zuid loopt, is die van de uitspraak aa van water, laat, maken en nog meer woorden in het oosten tegenover die met ao: waoter, laot, maoke(n) in het westen. In een andere groep woorden met aa, bv. in jaar, gaan, staan is de klinker ao, die hier en daar heel dicht de oo nadert.
Van de grenslijnen die noord-zuid lopen is er al een ter sprake gekomen, nl. die van het meervoud, dat bestaat uit stam + t in alle vormen van de tegnwoordige tijd. Lopende ten oosten van de Oude IJsel snijdt hij de IJsel bij Doesburg en gaat dan verder over het hoge gedeelte van de Veluwe, maar komt niet tot aan de Zuiderzee. Deze grens wordt wel beschouwd als de grens van de "Saksische" dialecten. Als een eigenaardigheid van deze dialecten geldt ook de uitspraak holt, kolt, zolt en zalt enz. tegenover hout, koud, zout enz. Op de Veluwe ligt die scheidingslijn op dezelfde plaats als de vorige, maar het zuidelijke deel ervan ligt dichter bij de Rijn. De vorm ik wol tegenover ik wou kan men al in het oosten van de Betuwe horen. 
Een oostelijke, ook weer niet alleen een Gelderse bijzonderheid is de uitspraak van de -n na de e-schwa. Deze is door mij nagegaan in de werkwoordsvormen en het is mij gebleken, dat het gedeelte waarin de n wordt uitgesproken, reikt tot in de Liemers, dat de grens hiervan tussen Velp en Rheden door gaat, maar dat hij vervolgens niet de noordelijke richting blijft behouden, doch op de Veluwe naar het westen buigt, dat in de dialecten van Bunschoten en Spakenburg en in die van het Gooi, voorzover er daar nog dialecten bestaan, de slot-n nog te horen valt.
Een dialectgrens die ongeveer met de vorige samenvalt, is die tussen de streek waarin het voorvoegsel in het voltooid deelwoord ge- is, en die waarin het e- is. Zowel deze lijn als die van de grens van de -n na e-schwa in de werkwoordsvormen, als die van het meervoud van de tegenwoordige tijd op t, als die van het voorvoegsel e-, als die van het gebruik van gij, sluiten precies aan bij de grenzen van deze verschijnselen in Duitsland.

Uit het verloop van de grenzen zijn wel enige conclusies te trekken. Het middengedeelte van het Nederlandse taalgebied blijkt op verschillende punten een eenheid te vormen. De grenzen van dit middenblok liggen vaak juist ten noorden van de grote rivieren, ook blijkt dit middenblok soms te reiken tot de voormalige Zuiderzee. Tegenover dit midden staat het oosten en het westen. Oostelijke verschijnselen zijn vaak te constateren tot halfweg de Veluwe, maar soms ook tot in het Gooi. De dialecten langs de zeekust vormen op verschillende punten een eenheid. Bijzonderheden uit deze hebben zich de laatste tijd verder in oostelijke richting verbreid, zo bv. de vormen van het persoonlijk voornaamwoord op j: jij, jou.
Uit andere grenzen blijkt dat het oosten van Nederland als een eenheid staat tegenover het westen, zoals de grens van het meervoud op -t, de uitspraak van de aa in bepaalde woorden en het persoonlijk voornaamwoord van de 2e persoon dat alleen uit een klinker bestaat.
Veel is er nog te onderzoeken op dialectgebied, en het is nodig dat men daarmee haast maakt, nu een onderzoek op bijna alle plaatsen nog mogelijk is. Dit zal niet lang meer het geval zijn. Het moderne verkeer, de migratie van de bewoners, het onderwijs, de radio werken er krachtig aan mee de dialectverschillen op te ruimen. Deze krachten werken tot in de meest afgelegen dorpen. 
Tegenwoordig is de toestand al zo, dat bijna ieder, als hij tegen vreemden spreekt, zich met meer of minder succes bedient van het Nederlands. Het dialect wordt nog gebezigd in de huiselijke kring, onder plaatsgenoten, maar dagelijks wordt het aantal personen groter dat ook onder bekenden, ook in de eigen plaats geen dialect meer wil spreken. Dat dit allen volkomen lukt, kan men niet beweren. Het dialect acht men onbeschaafd, en dat wil men niet zijn. Natuurlijk is de toestand op alle plaatsen niet precies gelijk, maar als men de positie van de dialecten vergelijkt met die van een halve eeuw geleden, dan komt men tot het besluit, dat deze sterk verzwakt is. De Gelderse dialecten staan er nog niet het slechtst voor, maar toch is het ook nodig deze zo snel mogelijk te bestuderen. Ieder die belangstelling heeft voor de streektalen, kan daaraan meewerken.

(klik hier voor meer informatie over de auteur)